ECLI:NL:PHR:2009:BH4340
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening geurproefzaak wegens onbetrouwbaarheid geuridentificatieproeven
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Zutphen waarbij de aanvrager is veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder diefstal en medeplegen van opzetheling. De herziening is gebaseerd op het feit dat geuridentificatieproeven, uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland tussen 1997 en 2006, niet volgens de voorschriften zijn uitgevoerd, waardoor de resultaten niet als betrouwbaar bewijs kunnen worden beschouwd.
De Hoge Raad overweegt dat het ontbreken van de juiste procedure bij de geurproeven betekent dat het bewijs daarvan niet gebruikt had mogen worden. Dit leidt tot het ernstige vermoeden dat, indien de rechtbank van deze onregelmatigheid op de hoogte was geweest, zij tot vrijspraak van de betreffende feiten zou zijn gekomen. Voor de feiten waarbij het bewijs vooral op de geurproeven steunt, zoals feit 5 (inbraak op 18 juli 2003) en feit 7 subsidiair (medeplegen opzetheling met een gestolen Volvo), wordt de aanvraag tot herziening gegrond verklaard.
Voor de feiten 1 en 2, waarbij het bewijs vooral berust op DNA-sporen, wordt de aanvraag afgewezen omdat het DNA-bewijs overtuigend is. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde behandeling van de feiten waarvoor de geurproeven doorslaggevend waren. Tevens wordt de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 10 augustus 2004 overwogen.
De herziening leidt tot een nieuwe beoordeling van de bewezenverklaring en de strafoplegging, waarbij het hof zal bepalen of het vonnis gehandhaafd kan blijven of vernietigd moet worden. De aanvraag tot herziening wordt voor het overige afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herziening gegrond voor enkele feiten en verwijst de zaak terug naar het hof voor nieuwe behandeling.