ECLI:NL:PHR:2009:BH4717
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevordering na beëindiging intentieovereenkomst windmolenproject
De zaak betreft een geschil over een intentieovereenkomst tussen partijen voor de realisatie van een windmolenproject. [Eiseres] vordert schadevergoeding na beëindiging van deze overeenkomst door [verweerder] c.s., die zij onterecht acht. De rechtbank en het hof stelden vast dat de opzegging rechtsgeldig was en dat er sprake was van een onvoorwaardelijke beëindigingsovereenkomst.
[Eiseres] stelde dat de opzegging onder invloed van bedrog en dwaling tot stand was gekomen en dat [verweerder] c.s. onrechtmatig hadden gehandeld door een samenwerking aan te gaan met derden zonder haar te betrekken. Tevens werd een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking. Deze stellingen werden door de rechtbank en het hof verworpen, mede omdat het project dat uiteindelijk tot stand kwam als een nieuw project werd beschouwd.
In cassatie werden diverse middelen aangevoerd, waaronder klachten over de feitenvaststelling, bewijswaardering, de aard van de overeenkomst en de toepassing van onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking. De Hoge Raad verwierp deze middelen, onder meer omdat het hof zijn oordelen voldoende had gemotiveerd en de klachten niet voldeden aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en wees de vordering van [eiseres] af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de opzegging van de intentieovereenkomst rechtsgeldig was, waardoor de schadevordering wordt afgewezen.