13. Een alternatieve verwerping van het middel gaat als volgt. De opgave van de getuigen werd gemotiveerd vanuit de stelling dat verzoeker een kortere periode heeft gedeald (namelijk één jaar en drie maanden) dan door de rechtbank was bewezenverklaard (drie jaar). In de strafzaak heeft het hof vervolgens bij arrest vastgesteld dat de bewezenverklaarde periode (inderdaad) drie jaar omvat: van 1 juni 2003 tot en met 8 juni 2006. Het arrest in de ontnemingszaak neemt deze bewezenverklaarde periode tot uitgangspunt. De opgegeven getuigen in de ontnemingszaak zouden dit uitgangspunt nu juist in de optiek van de verdediging moeten ondergraven. Die weg is echter onbegaanbaar tenzij (rechterlijk) zou zijn vastgesteld dat het dealen binnen die periode van drie jaar wezenlijk beperkt is gebleven tot een tijdvak van één jaar en drie maanden (cf. HR 7 maart 2006, NJ 2006, 460 m.nt. Reijntjes). Dat is in de strafzaak echter niet het geval: omtrent de bewezenverklaarde periode heeft het hof in zijn arrest in de stafzaak d.d. 17 oktober 2007 immers als volgt overwogen:
"Aan de verdediging kan worden toegegeven dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet met de vereiste mate van nauwkeurigheid kan worden vastgesteld dat de verdachte op of omstreeks 1 juni 2002 is begonnen met de handel in cocaïne en deel is gaan uitmaken van het in de tenlastelegging onder 3 bedoelde gestructureerde samenwerkingsverband. Voor de vaststelling van het aanvangstijdstip van de periode, waarin de verdachte, zoals hij ook zelf heeft toegegeven, zijn criminele activiteiten heeft ontplooid, acht het hof, anders dan de verdediging, de hiervoor bedoelde eigen verklaring van de verdachte echter niet bepalend. In het dossier liggen immers de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] en van de getuigen [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2], waaruit volgt dat de verdachte zich aanzienlijk langere tijd dan de verdachte heeft verklaard met de handel in cocaïne heeft bezig gehouden.
De verklaring van de getuige [getuige 1], die hij ten overstaan de politie heeft afgelegd (doorgenummerde dossierpagina 1002), houdt onder meer in, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] (bedoeld worden respectievelijk de medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte, toevoeging hof) samenwerkten in de cocaïnehandel en dat zo'n drie tot vier jaar geleden ook [medeverdachte 2] (bedoeld wordt de medeverdachte [medeverdachte 2], toevoeging hof) erbij kwam en cocaïne dealde. Met de rechter in eerste aanleg en de advocaat-generaal acht het hof deze verklaring betrouwbaar. Het hof neemt hierbij in aanmerking de verklaringen die de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris hebben afgelegd omtrent de wijze waarop bedoelde verklaring van [getuige 1] tot stand is gekomen.
Het hof neemt hierbij voorts in aanmerking dat de verklaring van [getuige 1] in grote lijnen overeenstemt met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2]. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 2] immers op 10 november 2006 onder meer verklaard, dat hij de verdachte zo'n 4 jaar kent en dat de verdachte toen is gaan samenwerken met de medeverdachte [medeverdachte 1] (als reden van wetenschap geeft [medeverdachte 2] hiervoor op dat hij al 10 jaar cocaïne kocht bij [medeverdachte 1]). Tegenover de politie heeft [medeverdachte 2] onder meer verklaard (doorgenummerde dossierpagina 1079) dat hij ongeveer drie jaar geleden cocaïne is gaan bewaren voor de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] en dat hij, [medeverdachte 2], uiteindelijk, samen met hen, ook zelf cocaïne is gaan verkopen.
De verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] acht het hof eveneens voldoende betrouwbaar om tot het bewijs te kunnen dienen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte 2] uiterst gedetailleerd heeft verklaard en in zijn verklaringen niet alleen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft belast, maar ook nadrukkelijk zichzelf en voorts dat de verklaringen van [medeverdachte 2] op relevante onderdelen steun vinden in andere, objectieve bewijsmiddelen. Weliswaar geldt voor de verklaringen van [medeverdachte 2] dat hij niet eenduidig heeft verklaard over de duur van de periode gedurende welke hij de handelsvoorraad cocaïne voor de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bewaard en evenmin over het tijdstip waarop hij, [medeverdachte 2], samen met hen ook zelf is gaan dealen, maar in redelijkheid kan worden aangenomen dat aan de op dit marginale punt wisselende verklaringen het tijdsverloop ten grondslag ligt. Bovendien is in zijn algemeenheid niet te verwachten dat iemand, die zich met criminele activiteiten inlaat, enkele jaren later nog de exacte ingangsdatum daarvan weet te reproduceren.
Uit de verklaring die de getuige [getuige 3] op 6 december 2006 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd, volgt onder meer dat [getuige 3] gedurende twee à drie jaar cocaïne had betrokken van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] en dat dat voor het laatst ongeveer anderhalf jaar geleden was geweest. Terugrekenend stelt het hof vast dat [getuige 3] derhalve medio 2005 voor het laatst cocaïne heeft gekocht van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1], zodat de periode van 2 à 3 jaar waarin [getuige 3] afnemer van hen was ongeveer liep van 2002 of 2003 tot medio 2005.
Gelet op de hiervoor bedoelde verklaringen van [medeverdachte 2], [getuige 1] en [getuige 3] kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde in ieder geval is begaan vanaf 1 juni 2003. Hieraan doet niet af dat door enkele afnemers, die op 7 juni 2006 door de politie zijn aangehouden, aanzienlijke kortere perioden zijn genoemd, omdat aangenomen kan worden dat de verklaringen van deze afnemers slechts betrekking hebben op de perioden vanaf het moment dat zij zelf klant werden van de verdachte en zijn mededaders en derhalve niet op de activiteiten van de verdachte en zijn mededaders in de daarvoor gelegen periode. De verklaringen van die aangehouden afnemers sluiten derhalve niet uit dat de verdachte en zijn mededaders al cocaïne leverden aan anderen voordat zij zelf hun cocaïne gingen betrekken van de verdachte en zijn mededaders.