ECLI:NL:PHR:2009:BH5418

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01151 H t/m 08/01154 H, 08/01156 H en 08/01157 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 68 Vreemdelingenwet 2000Art. 457 lid 1 onder 2 SvArt. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening veroordelingen verblijf als ongewenst vreemdeling na opheffing ongewenstverklaring

Aanvrager is meerdere keren veroordeeld wegens het als vreemdeling verblijven in Nederland terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Deze veroordelingen vonden plaats tussen maart 2003 en augustus 2004.

Later werd door de Staatssecretaris van Justitie vastgesteld dat aanvrager wel degelijk de Italiaanse nationaliteit bezit, waardoor hij EU-onderdaan is en de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht per 28 november 2002 werd opgeheven. Dit leidde tot een ernstig vermoeden dat aanvrager ten onrechte was veroordeeld.

De Hoge Raad concludeert dat deze nieuwe omstandigheid de grond vormt voor herziening van de eerdere uitspraken. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof voor herbeoordeling, en de tenuitvoerlegging van de opgelegde straffen wordt opgeschort of geschorst indien nodig.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvragen gegrond en verwijst de zaken voor nieuwe behandeling naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 08/01151 H, 08/01152 H, 08/01153 H, 08/01154 H, 08/01156 H en 08/01157 H
Mr. Vellinga
Zitting: 13 januari 2009
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft aanvrager bij arrest van 23 juni 2004 wegens "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard", gepleegd op 6 mei 2003, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam heeft de aanvrager bij vonnissen van 28 maart 2003, 26 augustus 2003, 8 oktober 2003, 4 juni 2004, en 16 augustus 2004, eveneens telkens ter zake van "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard", gepleegd op 20 maart 2003, 18 mei 2003, 29 september 2003, 27 mei 2004 en 7 augustus 2004, veroordeeld tot respectievelijk drie maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; vier maanden gevangenisstraf; zes maanden gevangenisstraf; zes maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren; en drie maanden gevangenisstraf. Voorts is bij genoemd vonnis van 26 augustus 2003 de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde straf.
2. Namens de aanvrager heeft mr. M.G.C. van Riet, advocaat te Amsterdam, aanvragen tot herziening van bovenvermelde uitspraken ingediend.(1)
3. De aanvragen zijn gezamenlijk ingediend en lenen zich voor gezamenlijke bespreking nu aan alle aanvragen dezelfde omstandigheid ten grondslag ligt.
4. De aanvragen steunen op de omstandigheid dat de aanvraag van aanvrager tot opheffing van de ongewenstverklaring van 28 november 2002 is ingewilligd door de Staatssecretaris van Justitie en de ongewenstverklaring met terugwerkende kracht tot 28 november 2002 is opgeheven. Aangevoerd wordt dat als het Hof en de Politierechters met deze omstandigheid bekend zouden zijn geweest, de aanvrager (telkens) niet zou zijn veroordeeld.
5. Bij beschikking van 28 november 2002 is de aanvrager, in het bezit van de Italiaanse nationaliteit, op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 ongewenst vreemdeling verklaard. Op 1 februari 2005 heeft de gemachtigde van aanvrager een verzoek ingediend tot opheffing van de ongewenstverklaring. Bij beschikking van 13 december 2005 is de ongewenstverklaring per die datum opgeheven. Naar aanleiding van die beschikking is namens aanvrager op 7 juli 2006 bij de Hoge Raad om herziening verzocht van de hiervoor onder 1 vermelde uitspraken. Die aanvragen zijn bij arrest van 17 oktober 2006 afgewezen.(2) Op 7 maart 2007 heeft de gemachtigde van aanvrager een verzoek ingediend tot opheffing van de ongewenstverklaring voor de resterende periode van 28 november 2002 tot 13 december 2005. Bij beschikking van 3 augustus 2007 is dat verzoek door de Staatssecretaris van Justitie ingewilligd. (3)
6. De beschikking van 3 augustus 2007 houdt in, voor zover van belang:
"4. Motivering van de beschikking
Ingevolge art. 68 van Pro de Vreemdelingenwet wordt de ongewenstverklaring opgeheven.
Opgemerkt wordt dat betrokkene op 28 november 2002 op juiste gronden ongewenst is verklaard. Betrokkene heeft immers destijds niet aangetoond dat hij in het bezit was van de Italiaanse nationaliteit. Nu echter is vastgesteld dat betrokkene de Italiaanse nationaliteit bezit en derhalve EU-onderdaan is bestaat er thans geen grond om de ongewenstverklaring voor de periode van 28 november 2002 tot 13 december 2005 te handhaven.
Daarom wordt de ongewenstverklaring voor de periode van 28 november 2006 (bedoeld zal zijn: 2002; WHV) tot 13 december 2005 opgeheven.
5. Rechtsgevolgen van deze beschikking
De inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring heeft tot gevolg dat de ongewenstverklaring van de betrokkene in de zin van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet per 28 november 2002 wordt opgeheven."
7. In de beschikking bepaalt de Staatssecretaris van Justitie dat de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingewilligd en dat, anders dan in beschikking van 13 december 2005 die ten grondslag lag aan de eerder door aanvrager ingediende herzieningsaanvragen(4), de ongewenstverklaring op grond van art. 68 Vreemdelingenwet Pro 2000 met terugwerkende kracht tot 28 november 2002 wordt opgeheven. Gelet daarop wekt die beschikking het ernstige vermoeden, zoals bedoeld in art. 457 lid 1 onder Pro 2 Sv, dat als de rechter hiervan op de hoogte was geweest, de aanvrager telkens van het hem tenlastegelegde zou zijn vrijgesproken.(5)
8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvragen tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof te Amsterdam van 23 juni 2004 en van de vonnissen van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 28 maart 2003, 26 augustus 2003, 8 oktober 2003, 4 juli 2004, en 16 augustus 2004 zal bevelen, en de zaken zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaken op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Uit de stukken van de dossiers volgt dat de uitspraken onherroepelijk zijn.
2 HR 17 oktober 2006, LJN AZ0248.
3 De gang van zaken is ontleend aan de beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 3 augustus 2007.
4 Zie noot 2 en de daarin genoemde uitspraak.
5 Vgl. HR 10 februari 1987, NJ 1987, 848, HR 20 november 2007, LJN BB4962 en HR 25 november 2008, LJN BF3323.