ECLI:NL:PHR:2009:BH5458
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van limitering partneralimentatie en overgangsrecht bij echtscheiding
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de beperking van partneralimentatie op grond van de Wet limitering alimentatie (WLA). De man had cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het hof Amsterdam die zijn verzoek tot beëindiging of wijziging van alimentatie afwees. Het hof had de overgangsregeling van de WLA toegepast en geoordeeld dat beëindiging van alimentatie de regel is, maar dat een uitzondering geldt indien beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden verlangd.
De man stelde twee middelen aan het hof ten grondslag. Het eerste middel betrof de vermeende schending van de overgangsbepaling van de WLA en feitelijke fouten in de beoordeling van de omstandigheden, zoals de inkomsten van zijn huidige partner en de erfenis van de vrouw. Het tweede middel betrof een procesrechtelijke klacht over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de wet correct had toegepast en dat de uitzonderingssituatie op de beëindiging van alimentatie terecht was aangenomen. De vermeende feitelijke fouten konden niet tot cassatie leiden vanwege gebrek aan belang of onvoldoende onderbouwing. De procesrechtelijke klacht faalde eveneens omdat geen schending van het hoor en wederhoor was vastgesteld. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen, waarmee zijn verzoek tot wijziging of beëindiging van partneralimentatie wordt afgewezen.