ECLI:NL:PHR:2009:BH5727

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11976
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens niet-tijdig indienen cassatiemiddelen

Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld. Op 15 januari 2008 is aan verdachte de aanzegging van artikel 435 Sv Pro betekend, waarna de termijn van twee maanden voor het indienen van cassatiemiddelen op 17 maart 2008 afliep. Verdachte heeft echter geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen deze termijn ingediend.

Volgens artikel 437 lid 2 Sv Pro kan de Hoge Raad verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Deze zaak hangt samen met een andere zaak met nummer 07/11955 P, waarin een soortgelijke conclusie is getrokken.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart verdachte niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Conclusie

Nr. 07/11976
Mr. Knigge
Zitting: 10 maart 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem op 16 mei 2007 - voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen - wegens "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Op 15 januari 2008 is aan verdachte de aanzegging van art. 435 Sv Pro betekend. De door het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 17 maart 2008. Een schriftuur houdende middelen van cassatie is niet binnengekomen.
4. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de verdachte onder nr. 07/11955 P, in welke zaak ik heden eveneens concludeer.