ECLI:NL:PHR:2009:BH5727
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens niet-tijdig indienen cassatiemiddelen
Verdachte is door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld. Op 15 januari 2008 is aan verdachte de aanzegging van artikel 435 Sv Pro betekend, waarna de termijn van twee maanden voor het indienen van cassatiemiddelen op 17 maart 2008 afliep. Verdachte heeft echter geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen deze termijn ingediend.
Volgens artikel 437 lid 2 Sv Pro kan de Hoge Raad verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Deze zaak hangt samen met een andere zaak met nummer 07/11955 P, waarin een soortgelijke conclusie is getrokken.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart verdachte niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdig indienen van cassatiemiddelen.