1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) Bij notariële akte van 4 december 1986 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 1 en 2]) voor fl. 373.870,- een perceel weiland geleverd aan [verweerder] en zijn echtgenote (hun schoonzoon resp. hun dochter; hierna: [verweerder]).
(ii) In de akte van levering is een vervreemdingsbeding opgenomen: bij verkoop vóór 1 augustus 1996 van het perceel of een gedeelte daarvan dient [verweerder] de opbrengst van die verkoop, voor zover deze de aankoopprijs te boven gaat, aan de drie kinderen van [betrokkene 1 en 2] ter hand te stellen.
(iii) Op 3 november 1994 heeft [verweerder] met zijn schoonouders een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij laatstgenoemden tegen betaling van een bedrag van fl. 30.285,- door [verweerder] het vervreemdingsbeding prijsgeven.
(iv) [Verweerder] heeft op 16 december 1994 een perceel grond van 7.30.77 ha. verkocht voor fl. 510.000,50. Op de behaalde boekwinst werd de landbouwvrijstelling toegepast((2)).
(v) In de tijd dat het onder (i) t/m (iv) gestelde zich afspeelde, verrichtte eiseres tot cassatie (hierna: ABAB) administratieve, boekhoudkundige en advieswerkzaamheden voor [verweerder].
(vi) In het kader van genoemde werkzaamheden heeft ABAB de formulieren Inkomstenbelasting 1994 voor [verweerder] en zijn echtgenote ingevuld. Daarbij heeft zij de afkoopsom van fl. 30.285,- als aftrekbare 'buitengewone last' aan de fiscus opgegeven. Bij brief van 25 september 1995 heeft ABAB aan [verweerder] en zijn echtgenote verzocht de aangifte Inkomstenbelasting 1994 te ondertekenen. De brief bevat de volgende mededeling: "De schadevergoeding die uitbetaald is aan broers/zusters is door ons verwerkt als een buitengewone last die volledig aftrekbaar is. De inspecteur kan het standpunt innemen dat deze betaling onder de landbouwvrijstelling valt." De brief eindigt met de zin: "Uiteraard zullen we de door ons ingenomen standpunten verdedigen, desondanks kan de inspecteur hiervan afwijken. Dit leidt tot een hogere verrekening van de nog onverrekende investeringsbijdragen".
(vii) Bij brief van 18 april 1996 heeft de belastingdienst aan ABAB om een nadere toelichting en bewijsstukken gevraagd van de door [verweerder] aan [betrokkene 1 en 2] betaalde afkoopsom als 'buitengewone last'. Hierop heeft ABAB op 13 mei 1996 per brief geantwoord: '(...) Dit bedrag houdt geen verband met een waardeverandering van grond en heeft dus geen invloed op het in het kader van de landbouwvrijstelling vrijgestelde bedrag. Keerzijde van de medaille is dat de vergoeding bij de ontvanger belast zal zijn." ((3))
(viii) Op 21 mei 1996 heeft [verweerder] de samenwerking met ABAB beëindigd.
(ix) De belastingdienst heeft de afkoopsom niet als aftrekpost geaccepteerd, ook niet nadat [verweerder] nog door tussenkomst van een nieuwe fiscale adviseur ([A] B.V.) bezwaarschriften had ingediend.