ECLI:NL:PHR:2009:BH9936

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00831
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt grove schuld bestuurder bij dodelijk verkeersongeval door onvoorzichtig en te hard rijden

Op 4 juli 2005 veroorzaakte de verdachte een verkeersongeval op de Rijksweg A59 nabij Den Hout waarbij twee inzittenden van een andere personenauto om het leven kwamen. De verdachte reed met een snelheid van circa 140 km/u, terwijl de maximumsnelheid 120 km/u bedroeg. Tijdens het rijden richtte hij zijn aandacht niet op het rijbaangedeelte voor hem en stuurde hij zijn auto niet tijdig en voldoende naar links om de voor hem rijdende auto veilig te passeren.

Het Hof oordeelde dat de verdachte in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam had gereden en dat het ongeval aan zijn schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 te wijten was. De verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging. De Hoge Raad heeft in cassatie het oordeel van het Hof bevestigd en geoordeeld dat het bewezenverklaarde gedrag, bestaande uit een combinatie van onoplettendheid en snelheidsovertreding, zonder onjuiste rechtsopvatting als grove schuld kan worden aangemerkt.

De Hoge Raad benadrukte dat het niet slechts gaat om een moment van onoplettendheid, maar om het geheel van gedragingen, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden. De ernst van de gevolgen alleen is niet voldoende voor het oordeel van grove schuld. Het cassatiemiddel dat dit betoogde faalde, en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor grove schuld aan een dodelijk verkeersongeval met oplegging van werkstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en rijontzegging.

Conclusie

Nr. 08/00831
Mr. Machielse
Zitting 31 maart 2009
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 24 juli 2007 voor overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen niet ontvankelijk verklaard.
2. Mr. B.Th.H. Boomsma, advocaat te 's-Hertogenbosch heeft cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde mate van schuld niet uit de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2. Bewezenverklaard is dat:
"hij op 4 juli 2005 te Den Hout, gemeente Oosterhout als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A59, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam rijdend met dat door hem bestuurde motorrijtuig over de rechterrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van die Rijksweg A-59, richting knooppunt Zonzeel, met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur terwijl vóór hem over voormelde rijstrook de bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Suzuki) reed in dezelfde richting als hij, verdachte, zijn aandacht gedurende enige tijd niet op het vóór hem gelegen rijbaangedeelte van die weg te richten, en dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet tijdig en niet voldoende naar links te sturen, teneinde voormeld motorrijtuig met veilige tussenruimte te passeren, waardoor hij, verdachte, met dat door hem bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met meergenoemd motorrijtuig, tengevolge waarvan laatstgenoemd motorrijtuig in schuin voorwaartse richting werd verplaatst en in botsing is gekomen met de rechts naast de rijbaan van die weg geplaatste vangrail, waardoor
- de bestuurder van dat motorrijtuig, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood, en
- een inzittende van dat motorrijtuig, genaamd [slachtoffer 2], werd gedood."
3.3. Volgens het middel is enkel sprake geweest van een moment van onoplettendheid, gecombineerd met een iets te hoge snelheid en een (te) langzaam rijdende auto van de slachtoffers. Dat deze onoplettendheid zulke ernstige gevolgen heeft gehad is voor de vaststelling of er sprake is van grove schuld in de zin van art. 6 WVW Pro 1994 niet relevant.
3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW Pro 1994, in het onderhavige geval het bewezenverklaarde in hoge mate onvoorzichtig en onachtzaam rijden, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.(1)
3.5. De eerste vier bewijsmiddelen bevatten verklaringen van verdachte zelf. Uit die verklaringen is af te leiden dat hij met een snelheid reed van 140 kilometer per uur waar een maximumsnelheid gold van 120 kilometer per uur, dat hij naar rechts heeft gekeken, naar een vrachtwagen bij een benzinestation, en dat hij toen hij weer voor zich keek de botsing met de andere auto niet meer kon vermijden. De andere auto is tegen de vangrail terechtgekomen en de twee inzittenden zijn als gevolg daarvan overleden. In beginsel zal ervan had moeten worden gegaan dat verdachte, als hij zijn aandacht bij de weg had gehouden de botsing had kunnen voorkomen zelfs als de andere auto langzamer dan te doen gebruikelijk zou hebben gereden.
Het feit dat verdachte 20 kilometer per uur harder reed dan ter plekke was toegestaan zal, zoals de ervaring leert, de mogelijkheid om alsnog uit te wijken en het ongeval te voorkomen, hebben verkleind. Er is dus niet enkel sprake geweest van een enkele - met een fysieke afwending samenhangende - onoplettendheid, maar van een combinatie van onoplettendheid en een snelheidsovertreding.(2) Het hof heeft deze combinatie zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting als grove schuld kunnen aanmerken. Ik acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
4. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252 m.nt. Knigge.
2 Zie HR 24 juni 2008, NJ 2008, 442 m.nt. Keijzer.