1 In hoofdzaak ontleend aan rov. 4.1 van het in de appelinstantie gewezen tussenarrest van 8 november 2005.
2 Deze clausulering is ingegeven door het feit dat onderdeel III van het middel aanvoert, dat [eiser] ook andere gegevens aan zijn vorderingen ten grondslag zou hebben gelegd dan het hof heeft beoordeeld.
3 Op 31 augustus 2004 had het hof al een beslissing gegeven naar aanleiding van een verzet van de E.A.C.M. tegen de eisvermeerdering van [eiser]. Het verzet werd van de hand gewezen. Deze beslissing komt in cassatie niet meer aan de orde.
4 Het eindarrest is van 10 april 2007. De cassatiedagvaarding is op 10 juli 2007 uitgebracht.
5 De Heer K.M. Van Korlaar, met kantoor te Hedel.
6 Zie ook Faillissementswet (losbl.), Van Galen c.s., art. 27, aant. 7.
7 Ter illustratie verwijs ik naar HR 6 maart 2009, RvdW 2009, 391, rov. 5.2.3; HR 15 februari 2008, NJ 2008, 449, rov. 3.7; HR 5 oktober 2007, NJ 2007, 542, rov. 3.6.
8 HR 20 februari 2004, rechtspraak.nl LJN AO1327, rov. 3.5.2 en alinea 2.19 van de conclusie van A - G Wesseling-Van Gent vóór deze beslissing; zie ook HR 11 april 2008, NJ 2008, 555, rov. 3.5; HR 16 juni 2006, NJ 2006, 339, rov. 3.4; HR 16 juni 2006, RvdW 2006, 614, rov. 4.2.
9 In het dossier bevinden zich twee afzonderlijke, op dezelfde dag gedateerde en ogenschijnlijk door [eiser] ondertekende verklaringen (met een geheel verschillende inhoud).
10 Ik gaf (in de vorige voetnoot) al even aan dat ik ervan uitga dat het hier de twee verklaringen met de handtekening van [eiser] betreft, die zich in de dossiers bevinden "ter hoogte van" de processen-verbaal van getuigenverhoor, beide gedateerd 9 maart 2006 (hoe deze in het geding zijn gebracht is mij niet helemaal duidelijk geworden). Deze verklaringen tellen 18 en 25 bladzijden respectievelijk. De nummering van de producties die bij deze verklaringen zijn gevoegd, komt uit op 146 stuks. Daarbij is in aanmerking te nemen dat er productienummers voorkomen waarbij niet werkelijk een productie is gevoegd, maar dat er ook niet in de nummering vermelde producties bij de stukken zitten. Mij lijkt verantwoord - ik heb mij niet aan een exacte telling gewaagd - om uit te gaan van 140 à 150 werkelijk bijgevoegde producties.
11 Mij ervan bewust dat ik mij hier begeef in een waardering van overgelegd bewijsmateriaal, terwijl dat in cassatie niet aan de orde kan komen. Ik denk dat het Parket in het kader van zijn voorlichtende rol, zich onder omstandigheden een (marginaal) oordeel over vragen als deze mag permitteren.
12 Ik wijs dan bijvoorbeeld op een als getuigenverklaring aangeduid stuk van een zekere Meering, waarnaar de schriftelijke toelichting namens [eiser] in alinea 1.15 onder III specifiek verwijst. In die (uitvoerige) verklaring staan niet of nauwelijks terzake doende mededelingen.
13 Het probleem wordt geïllustreerd door beslissingen als HR 21 november 2008, RvdW 2008, 1056, rov. 4.4 - 4.5.1; HR 17 oktober 2008, RvdW 2008, 953, rov. 3.3.5 en HR 17 oktober 2008, RvdW 2008, 955, rov. 4.2.3.
14 Er is ook gedebatteerd over beweerdelijk niet-nagekomen onderhoudsverplichtingen, maar dat debat is nauwelijks uit de verf gekomen. In cassatie speelt het in elk geval geen rol.
15 Verbintenissenrecht (losbl.), Hijma, art. 228, aant. 18 - 19 en Vermogensrecht (losbl.), Hijma, art. 44, aant. 31 - 34.
16 HR 14 november 2008, NJ 2008, 588, rov. 3.5.4; HR 31 oktober 2008, RvdW 2008, 985, rov. 3.4; HR 27 juni 2008, NJ 2008, 478, rov. 3.4; HR 13 juni 2008, NJ 2008, 338, rov. 3.3.4; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 40.