ECLI:NL:PHR:2009:BI0256

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12278
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969Art. 423 SvArt. 495b SvArt. 6 EVRMArt. 191 Grondwet
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt herstel openbaarheid zitting en locus delicti bij leerplichtzaak

In deze zaak werd verzoeker door het gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens overtreding van de Leerplichtwet 1969 tot twee weken hechtenis. Verzoeker stelde cassatiemiddelen voor, waaronder dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet had teruggewezen vanwege het ontbreken van openbaarheid in eerste aanleg. De advocaat-generaal stelde dat hoewel openbaarheid een klassiek uitgangspunt is en beschermd wordt door de Grondwet en het EVRM, schending daarvan in eerste aanleg kan worden hersteld in hoger beroep. Het hof had het vonnis vernietigd en de zaak in alle openbaarheid behandeld, waarmee het verzuim was hersteld.

Daarnaast klaagde verzoeker dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het feit was gepleegd op de woonplaats van de jongeren in plaats van de schoollocatie. De advocaat-generaal stelde dat meerdere loci delicti mogelijk zijn en dat dit oordeel juist was. Het cassatieberoep werd verworpen omdat geen ambtshalve gronden voor vernietiging aanwezig waren.

De conclusie van de advocaat-generaal benadrukt het belang van openbaarheid, maar erkent dat herstel in hoger beroep mogelijk is, en bevestigt de rechtmatigheid van het hofsoordeel over de plaats van het delict.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem blijft in stand.

Conclusie

Nr. 07/12278
Mr Jörg
Zitting 17 maart 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem wegens overtreding van art. 2 van Pro de Leerplichtwet 1969 veroordeeld tot 2 weken hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet heeft teruggewezen nu het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet in het openbaar is geschied. De steller van het middel bepleit dat in een geval als het onderhavige moet worden aangesloten bij de zogenoemde kernroljurisprudentie van Uw Raad omdat ook de openbaarheid behoort tot de klassieke uitgangspunten van onze strafrechtspleging.
4. Art. 423, tweede lid, Sv houdt in dat indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van vernietiging van het vonnis, het gerechtshof de zaak kan terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg. De "kernrol"jurisprudentie heeft deze regel uitgebreid tot een tweetal situaties waarin eveneens tot terugwijzing dient te worden gekomen. In de eerste plaats indien de rechter in eerste aanleg niet onpartijdig moet worden geacht en in de tweede plaats indien de hoofdzaak in eerste aanleg is behandeld bij afwezigheid van een van de personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting terwijl deze niet wettig op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was (HR 27 mei 1997, NJ 1997, 566).
5. De onderhavige zaak kenmerkt zich door heel iets anders: de niet-openbaarheid van de zitting van de rechtbank, sector kanton, locatie Nijmegen. Het onderzoek ter terechtzitting tegen deze meerderjarige verdachte had in eerste aanleg in het openbaar dienen plaats te vinden. Uit door mij ingewonnen informatie is mij gebleken dat de zaak niet in het openbaar heeft plaatsgevonden omdat de zaak tegelijkertijd - mogelijkerwijs gevoegd - met die tegen de minderjarige dochter is behandeld. In zo'n geval echter dienen ofwel de zaken te worden gesplitst ofwel dient de zaak van de minderjarige ingevolge art. 495b, tweede lid Sv in het openbaar te worden behandeld. In eerste aanleg is derhalve verzuimd het rechtsgeding in het openbaar te doen plaatsvinden. Dit verzuim raakt inderdaad de klassieke uitgangspunten van onze strafrechtspleging. De openbaarheid van terechtzittingen is een belangrijke in het EVRM (art. 6) en de Grondwet (art. 191) beschermde regel. Uw Raad en het EHRM hangen aan naleving van deze regel. Echter, schending daarvan kan - anders dan in geval van vooringenomen rechters of ten onrechte niet uitgenodigde en afwezige procespartijen - worden gerepareerd in en door hoger beroep. Ik zie geen aanleiding om gebreken met betrekking tot de openbaarheid van de behandeling eveneens onder de kernroljurisprudentie te brengen, voor zover een dergelijk verzuim in eerste aanleg met de mogelijkheid van herstel in hoger beroep heeft plaats gevonden. Het hof heeft in tweede instantie door vernietiging van het vonnis en door behandeling van de zaak in alle openbaarheid dit verzuim kunnen herstellen. Het middel is daarom tevergeefs voorgesteld.
6. Het tweede middel klaagt erover dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het hof klaarblijkelijk van oordeel is dat het feit gepleegd is in de woonplaats van de desbetreffende jongeren, en niet in de plaats waar de school is gevestigd.
7. De weergave van het oordeel van het hof is juist, evenals dat oordeel zelf. Voor een en hetzelfde feit kunnen verscheidene loci delicti gelden (zie de Hullu, Materieel strafrecht, 3e, blz. 188). Overigens zou aanknopen bij de vestigingsplaats van de onderhavige school niet tot een andere locus hebben geleid, zo leert het internet als feit van algemene bekendheid. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
8. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G