ECLI:NL:PHR:2009:BI0456
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over loonbegrip bij terbeschikkingstelling auto na dienstbetrekking
X, voormalig werknemer van B BV, kreeg na beëindiging van zijn dienstverband een auto ter beschikking gesteld door B BV. De vraag was of het voordeel van het privégebruik van deze auto in 2005 als loon moest worden belast volgens artikel 3.82 van de Wet IB 2001.
De Rechtbank Arnhem oordeelde dat omdat X geen werknemer meer was van B BV en B BV niet als inhoudingsplichtige kon worden aangemerkt, het voordeel niet als loon kon worden beschouwd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip werknemer in artikel 3.82 van de Wet IB 2001 verwijst naar een bestaande dienstbetrekking tussen de terbeschikkingsteller en de belastingplichtige. Omdat X geen werknemer meer was van B BV en het voordeel niet als loon uit vroegere dienstbetrekking kon worden aangemerkt, was het voordeel niet belastbaar als loon. De Hoge Raad verwierp ook de stelling dat het voordeel als prestatie van een derde of als loon wegens het staken van werkzaamheden moest worden aangemerkt.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard, waarmee de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het voordeel uit de ter beschikking gestelde auto wordt niet als loon belast.