5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
- (i) het hierboven, in 1 genoemde vonnis van het Landgericht Essen;
- (ii) een schrijven van 25 augustus 2006 van de het ministerie van Justitie van de deelstaat Nordrhein-Westfalen gericht aan het Nederlandse ministerie van Justitie, houdt in het verzoek om de tenuitvoerlegging van de aan verzoeker door de Duitse rechter opgelegde gevangenisstraf en ontnemingsmaatregel over te nemen met toepassing van het Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (Trb. 1992, 39, hierna: EGTUL).
- (iii) een vordering verlof tenuitvoerlegging van 30 mei 2007 houdt in dat de officier van justitie gezien de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) alsmede het EGTUL vordert dat de rechtbank verlof verleent tot tenuitvoerlegging in Nederland van voornoemde rechterlijke beslissing;(1)
- (iv) een schrijven van 25 januari 2008 van de minister van Justitie (thans Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving) gericht aan het internationaal rechtshulp centrum zuid, dependence Heerlen, houdt onder meer in dat hij aan de Duitse autoriteiten heeft medegedeeld dat zonder tegenbericht van de Duitse autoriteiten de maatregel strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd zal worden op het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven (Trb. 1990, 172, hierna: Witwasverdrag), aangezien Nederland de ontnemingsmaatregel niet kan overnemen op basis van het EGTUL.
Bij de stukken van het geding bevindt zich dienaangaande geen reactie van de Duitse autoriteiten;
- (v) een wijziging vordering verlof tenuitvoerlegging vermeldt dat de officier van Justitie de eerder ingediende vordering verlof tenuitvoerlegging in die zin wijzigt dat het verzoek van de Duitse autoriteiten niet alleen is gebaseerd op de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 18 WOTS en het EGTUL maar ook op het Witwasverdrag;
(vi) Een conclusie als bedoeld in art. 28, achtste lid, WOTS van de officier van justitie vermeldt als toepasselijke verdragen het EGTUL en het Witwasverdrag;
(vii) het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 29 juli 2008 houdt onder meer het volgende in:
"De officier van justitie, van oordeel dat de vordering verlof tenuitvoerlegging behoort te worden gewijzigd, legt de inhoud van de door haar noodzakelijk geachte wijziging schriftelijk aan de rechtbank over, vordert dat die wijziging zal worden toegelaten en dat alle eerder genoemde wijzigingen van de vordering verlof tenuitvoerlegging vervallen.
De rechtbank wijst die vordering, na de verdediging dienaangaande te hebben gehoord, toe en beveelt dat de vordering verlof tenuitvoerlegging wordt gewijzigd zoals in die vordering, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd dient te worden beschouwd, staat omschreven."
- (viii) Blijkens dit proces-verbaal heeft de raadsman van verzoeker voorts gepleit overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities (aantekeningen). De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel op grond van het Witwasverdrag ontoelaatbaar dient te worden verklaard, nu de verzoekende staat, in dit geval de Bondsrepubliek Duitsland, en niet de Nederlandse autoriteiten bepaalt op basis van welk verdrag het verzoek tot tenuitvoerlegging wordt gedaan, terwijl de Bondsrepubliek Duitsland niet het juiste verdrag ten grondslag heeft gelegd aan het verzoek.
- (ix) De rechtbank heeft dit verweer in de uitspraak betreffende de ontnemingsmaatregel onder het hoofd "de toewijsbaarheid van de vordering" als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van de veroordeelde heeft aangevoerd dat tenuitvoerlegging van de ontnemingsbeslissing om twee redenen niet op het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven kan worden gebaseerd. Allereerst omdat niet Duitsland als verzoekende staat, maar de officier van justitie dit verdrag aan de vordering ten grondslag heeft gelegd.
(...)
Ten aanzien van de verweren van de raadsman overweegt de rechtbank als volgt.
Gelet op de brief van de Minister van Justitie van 25 januari 2008, is de Duitse autoriteit akkoord medegedeeld(2) dat de vordering met betrekking tot de ontneming zonder tegenbericht zou worden gebaseerd op het Verdrag inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven. Nu van geen andersluidend tegenbericht is gebleken, gaat de rechtbank er van uit dat het [des]betreffende verdrag door Duitsland als verzoekende staat aan de ontnemingsvordering ten grondslag is gelegd."