ECLI:NL:PHR:2009:BI1006

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11642
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 402 Sv (oud)Art. 403 Sv (oud)Art. 70 Sr (oud)
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring bij verzet tegen verstekvonnis in strafzaak

In deze strafzaak werd verdachte bij verstek veroordeeld voor het zonder toestemming betreden van een verboden terrein op 8 april 2001. Verdachte maakte verzet tegen dit vonnis, maar verscheen niet in rechte bij de behandeling van het verzet. De Kantonrechter verklaarde het verzet vervolgens vervallen en bevestigde het verstekvonnis.

De Hoge Raad behandelt de vraag of het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen. Volgens de wet kan deze vraag pas aan de orde komen als verdachte in rechte verschijnt. Omdat verdachte niet is verschenen, kon de Kantonrechter de verjaring niet toetsen bij de verzetzitting.

De Hoge Raad constateert dat meer dan vier jaar is verstreken tussen het feit en de datum van het vonnis, zodat het recht tot vervolging is verjaard. Daarom vernietigt de Hoge Raad de vonnissen en verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vonnissen en verklaart de vervolging niet-ontvankelijk wegens verjaring.

Conclusie

Nr. 07/11642
Mr. Vellinga
Zitting: 31 maart 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. De Kantonrechter in de Rechtbank te Utrecht heeft de verdachte bij vonnis van 25 februari 2003 ter zake van op 8 april 2001 "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor haar blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden bevinden" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van veertig euro. Na gedaan verzet heeft de Kantonrechter de verdachte bij vonnis van 9 november 2005 wederom ter zake van "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor haar blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden bevinden" bij verstek veroordeeld tot een geldboete van veertig euro, subsidiair een dag hechtenis. Nu laatstgenoemd vonnis bij verstek is gewezen, zal deze uitspraak zo verstaan moeten worden dat daarbij het verzet op de voet van art. 402, eerste lid, (oud) Sv vervallen is verklaard.(1)
2. Namens de verdachte heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Aan de bespreking van het middel meen ik niet te kunnen toekomen, vanwege het volgende. Het bewezenverklaarde feit is begaan op 8 april 2001 en is een overtreding. Op grond van art. 70 Sr Pro (oud), zoals dat luidde van 1 januari 2006 tot 7 juli 2006, verjaarden overtredingen uiterlijk na vier jaar.(2) Tussen 8 april 2001 en 7 juli 2006 is meer dan vier jaar verstreken, zodat het recht tot strafvervolging als gevolg van verjaring is vervallen.(3)
4. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de vonnissen van 25 februari 2003 en 9 november 2005 en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 16 oktober 2007, NJ 2007, 569
2 Vgl. HR 7 november 2006, LJN AY8987.
3 Vgl. HR 5 december 2000, NJ 2001, 110, HR 13 januari 1998, 106.690 (niet gepubliceerd), HR 7 april 1998, 108.224 (niet gepubliceerd). De onderhavige zaak verschilt van die welke leidde tot HR 9 mei 2006, NJ 2006, 296, omdat thans de Hoge Raad wel de instantie is die op het ingestelde rechtsmiddel heeft te beslissen.