ECLI:NL:PHR:2009:BI1122
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap minderjarige na postnatale erkenning niet-Nederlandse vader
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van minderjarige kinderen die vóór 1 april 2003 postnataal zijn erkend door een niet-Nederlandse vader. De moeder heeft de Moldavische nationaliteit en de vader de Turkse nationaliteit; beiden wonen sinds lange tijd in Nederland. De kinderen zijn in Nederland geboren en leven in een gezinssituatie met beide ouders.
De centrale juridische vraag was of de kinderen het Nederlanderschap konden verkrijgen op grond van art. 3 lid Pro 3 (oud) Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) in verbinding met art. 4 lid Pro 1 (oud) RWN, ondanks dat de erkenning postnataal en door een niet-Nederlandse vader plaatsvond. De rechtbank had geoordeeld dat het Nederlanderschap vanaf de datum van erkenning was verkregen, ook al had de erkenning geen terugwerkende kracht.
De Staat stelde in cassatie dat deze uitleg onjuist was en dat de kinderen het Nederlanderschap niet konden ontlenen aan art. 3 lid Pro 3 (oud) RWN. De Hoge Raad verwierp dit verweer en onderschreef de ruime uitleg die toelaat dat ook postnatale erkenning door een niet-Nederlandse vader die aan de voorwaarden voldoet, leidt tot verkrijging van het Nederlanderschap vanaf de erkenningsdatum.
De Hoge Raad benadrukte dat de wetgever geen absoluut onderscheid heeft willen maken tussen prenatale en postnatale erkenning en dat het verschil in tijdstip van verkrijging gerechtvaardigd is. De uitspraak sluit aan bij de ratio van de derde generatie-regel die beoogt kinderen van vreemdelingen die in Nederland wonen een sterke band met Nederland toe te kennen. De cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de kinderen het Nederlanderschap vanaf de erkenningsdatum hebben verkregen.