ECLI:NL:PHR:2009:BI1481
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt peildatum en wettelijke verdeling huwelijksgoederengemeenschap bij echtscheiding
Partijen zijn in 1968 in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 2006 gescheiden. De vrouw verzocht om een eerdere peildatum te hanteren voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, omdat partijen volgens haar vanaf 1974, 1983 of 1988 als ware geen gemeenschap van goederen hadden. De rechtbank wees dit verzoek af en stelde de peildatum op de datum van de echtscheidingsbeschikking en de waardebepaling op 1 januari 2006.
In hoger beroep wijzigde de vrouw haar verzoek en het hof stelde de peildatum vast op 6 juni 2006, de datum van ontbinding van het huwelijk. Het hof oordeelde dat ondanks de bijzondere invulling van het huwelijk partijen niet feitelijk leefden alsof er geen gemeenschap van goederen was en dat de wettelijke verdeling bij helfte niet in uitzonderlijke omstandigheden werd overschreden.
De vrouw stelde cassatieberoep in met twee middelen: het hof zou verklaringen buiten beschouwing hebben gelaten en onterecht hebben geoordeeld dat de bijzondere invulling van het huwelijk geen reden was voor afwijking van de wettelijke verdeling. De Hoge Raad verwierp deze middelen omdat het hof de verklaringen wel degelijk had meegewogen en de bijzondere omstandigheden niet aannemelijk waren gemaakt. De Hoge Raad bevestigde dat afwijking van de wettelijke verdeling bij helfte slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk is.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de peildatum voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap de datum van ontbinding is en dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken van de wettelijke verdeling bij helfte.