ECLI:NL:PHR:2009:BI2307
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit verjaarde soortgelijke feiten is mogelijk
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de vraag of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel mogelijk is ten aanzien van soortgelijke feiten waarvoor het recht tot strafvordering is verjaard. Het hof had geoordeeld dat ontneming niet mogelijk was indien vervolging wegens die soortgelijke feiten niet meer mogelijk was vanwege verjaring. De Hoge Raad stelt dat deze opvatting onjuist is, omdat noch de wetsgeschiedenis noch de tekst van de wet dit ondersteunen.
De Hoge Raad benadrukt dat artikel 36e, tweede lid, Sr niet vereist dat het recht tot strafvordering voor soortgelijke feiten nog bestaat om ontneming mogelijk te maken. De parlementaire geschiedenis laat zien dat er bewust geen tijdslimiet is gesteld aan het voordeel dat ontneming kan betreffen. Wel kan de rechter bij het bepalen van het terug te betalen bedrag rekening houden met het tijdsverloop sinds de verkrijging van het voordeel.
Verder wijst de Hoge Raad op praktische en juridische bezwaren tegen het aannemen van een verjaringsbeletsel voor ontneming bij soortgelijke feiten, zoals het feit dat verjaring van strafbare feiten moeilijk kan worden gestuit en dat de ontnemingsprocedure als een voortzetting van de strafprocedure moet worden gezien. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van het terug te betalen bedrag en verwijst de zaak terug voor herberekening.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten waarvoor strafvervolging is verjaard mogelijk blijft en verwijst de zaak terug voor herberekening van het terug te betalen bedrag.