1 In de aanhef van het vonnis van de rechtbank is verweerster in cassatie aangeduid als Makro Cash & Carry Nederland BV; in de aanhef van het bestreden arrest en in de cassatiedagvaarding wordt zij aangeduid als Metro Cash & Carry Nederland BV.
2 Ontleend aan rov. 1.1-1.6 van het vonnis van de rechtbank van 5 januari 2005, waarvan ook het hof in het (ten deze niet) bestreden arrest is uitgegaan (zie rov. 1), alsmede aan rov. 3 van dat arrest.
3 Onder de merken van G-Star dient tevens te worden begrepen het op 7 juli 1999 ingeschreven gemeenschapsmerk (woord/beeldmerk) 'G-Star Originals USA Fabrics' (zie rov. 3 van 's hofs arrest).
4 Jur. 1997, p. I-6013, NJ 2001, 132 m.nt. JHS onder nr. 134, TVVS 1998, nr. 8, p. 26 m.nt. MRM, SEW 1998, p. 171 m.nt. Ludding, NTER 1998, nr. 1/2, p. 13 m.nt. Speyart, BIE 1998, nr 41, p. 195 m.nt. Ste., IER 1997, nr. 55, p. 224.
5 Jur. 1999, p. I-905, NJ 2001, 134 m.nt. JHS, IER 1999, nr. 16, p. 111, m.nt. RdR, Ondernemingsrecht 1999, nr. 33, p. 142 m.nt. MRM, NTER 1999, nr. 5, p. 122 m.nt. Speyart. Het arrest is ook uitvoerig becommentarieerd door Goossens en Philipsen in een noot onder Vz. Rb. van Koophandel Charleroi 4 februari 2004, IRDI 2004, p. 309 (Volvo/Wanet).
6 In 2008 - zonder ten deze van belang zijnde materiële wijzingen - 'geconsolideerd' neergelegd in Richtlijn 2008/95/EG (PbEU L299/25).
7 In een oudere versie van de BMW stond de bepaling in lid 8, in een nog oudere versie in lid 3 van art. 13,A.
8 Dit laatste was mede aan de orde in de zaak BMW/Deenik. Het Hof van Justitie legde ten aanzien van die casus art. 6, lid 1, onder c van de Merkenrichtlijn uit op eenzelfde wijze als art. 7, lid 2 ten aanzien van wederverkoop. Vgl. ook de noot van J.H. Spoor in NJ 2001, 134 sub 10.
9 Mede door weglating van het element product respectievelijk merk met een luxueus en prestigieus imago; zie daarover nog nr. 4.9.2.
10 Zie rov. 54 in verbinding met rov. 4.49 van het arrest, waarnaar ik hierboven in nr 4.7 in fine reeds verwees.
11 In deze zin Gielen c.s., Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, 7e druk 2007, nrs. 339 en 370; Cohen Jehoram/Van Nispen/Huydecoper, Industriële eigendom 2 (2008), nr. 9.1.3.2, p. 405. Voor zover dit laatste boek t.a.p. en in nr. 9.3.6, p. 416 (terloops) ontoelaatbaarheid wil baseren op 'niet-noodzakelijkheid', acht ik dat - zoals hierboven bleek - onjuist. Ik kom hierop nog terug in de nrs. 4.19.1 e.v.
12 Terwijl in G-Stars MvG (nr. 56 e.v.) nog de grief te vinden was dat Makro nu juist door het afbeelden van het (woord/)beeldmerk de aanwezigheid van een niet bestaande commerciële band tussen partijen zou suggereren, heeft G-Star zich in cassatie bij het andersluidend feitelijk oordeel van het hof (rov. 17) neergelegd (vgl. hierboven nr. 4.9.1). Indien men kennisneemt van de betrokken advertentie (vgl. de afbeelding, te vinden op p. 3 van het vonnis in eerste aanleg) verbaast dit niet.
13 Ten overvloede wijs ik erop dat - toegegeven, in wat andere context - het HvJ EG in een tamelijk recent arrest het gebruik van (een parodiërende versie van) een beeldmerk van een concurrent in vergelijkende reclame toelaatbaar heeft geoordeeld: HvJ EG 12 juni 2008, C-533/06, IER 2008, nr. 56, p. 213 m.nt. EHH (O2/H3G; bubbelmerken). Ik wijs met name op rov. 40.
14 In dezelfde zin rov. 5.22 van het vonnis van de rechtbank van 5 januari 2005 en rov. 13 van het arrest van het hof in deze zaak.
15 NJ 1975, 472 m.nt. LWH; BIE 1975, nr. 30, p. 183 m.nt. VdZ.
16 Vgl. bijv. Gielen/Wichers Hoeth, Merkenrecht, 1992, nrs. 1162, 1165 en in het bijzonder 1207-1208. Vgl. eveneens in deze zin nog Hof 's-Hertogenbosch 22 mei 1996, NJ 1997, 521, BIE 2002, nr. 31, p. 193 m.nt. AAQ (Wolf).
17 Vgl. hierboven nr. 4.18 en voetnoot 16 daarbij.
18 Ik noem in deze voetnoot deze zes uitspraken uit voetnoot 63 van Cohen Jehoram c.s. nog eens, maar ik voeg mijnerzijds per uitspraak (cursief) daaraan toe de nummers van de rechtsoverwegingen die mijn bovenstaande lezing bevestigen. Vzngr. Rb. Alkmaar 31 juli 2003, BIE 2003, nr. 93, p. 573 (Subaru/Schot), rov. 3.5 en 3.6; Vzngr. Rb. Leeuwarden 30 oktober 2003, IER 2004, nr. 25, p. 140 (Vriend/Batavus), rov. 4.2; Vz. Rb. van Koophandel Charleroi 4 februari 2004, IRDI 2004, p. 309 m.nt. Goossens en Philipsen (Volvo/Wanet), p. 310, linker kolom, derde volle alinea e.v.; Rb. 's-Gravenhage 31 mei 2006, BMMB 2006/3, p. 133 (Porsche/Ekris), rov. 4.3; Rb. Amsterdam 14 september 2006, B9 2675 (Kia/Egbers) rov. 9; 13.
19 Zaak I ZR 202/00, NJW 2003, p. 1403, GRUR 2003, p. 340, WRP 2003, p. 354, MarkenR 2003, p. 105.
20 De tegen dat oordeel van het Berufungsgericht (BerGer.) aangevoerde Revisionsklagen faalden.
21 Kl. = Klägerin = Mitsubishi.
22 § 14 II Nr. 1 MarkenG = art. 5, lid 1, onder a van Merkenrichtlijn 89/104.
23 § 24 I MarkenG = art. 7, lid 1 van Merkenrichtlijn 89/104.
24 § 24 II MarkenG = art. 7, lid 2 van Merkenrichtlijn 89/104.