ECLI:NL:PHR:2009:BI4062

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00379
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onherroepelijke vrijspraak en verlaagt straf wegens schending redelijke termijn

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld voor medeplegen van een drugsmisdrijf en deelname aan een criminele organisatie, met een gevangenisstraf van drie jaar. Verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest. Het hof had het hoger beroep van het Openbaar Ministerie beperkt opgevat, waardoor de vrijspraak van feit 1 onherroepelijk werd.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel dat stelt dat het hof het gehele vonnis heeft vernietigd onjuist is. De vrijspraak van feit 1 blijft daarmee definitief staan. Daarnaast is vastgesteld dat de cassatieprocedure de redelijke termijn heeft overschreden, doordat het dossier pas ruim een jaar na het instellen van cassatie werd ontvangen.

Deze termijnoverschrijding leidt tot een verlaging van de opgelegde straf. De overige cassatiemiddelen worden verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing of niet voldoen aan de eisen van cassatiemiddelen. De conclusie van de Procureur-Generaal is dan ook om de straf te verlagen en het beroep voor het overige te verwerpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van feit 1 en verlaagt de straf wegens schending van de redelijke termijn in cassatie.

Conclusie

Nr. 08/00379
Mr. Machielse
Zitting 12 mei 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 3 juli 2007 voor 2: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet, voorbereiden, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en door gelden voorhanden te hebben, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit, en 3: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar.
2. Mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte het appel van de officier van justitie beperkt heeft opgevat op basis van een mededeling van de AG ter terechtzitting.
3.2. Het arrest vermeldt het volgende:
"Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte en het openbaar ministerie is blijkens hun mededeling ter terechtzitting van 26 januari 2006 niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde."
3.3. De Rechtbank Amsterdam had verdachte op 4 februari 2005 vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft blijkens de appelakte onbeperkt hoger beroep ingesteld. Verdachte heeft naar het mij voorkomt geen enkel belang bij deze klacht, tenzij hij graag ook nog voor feit 1 veroordeeld wil worden. De bewering van de steller van het middel dat het hof het gehele vonnis van de rechtbank heeft vernietigd, dus inclusief de vrijspraak van feit 1, getuigt van een onjuiste lezing van het arrest. Het dictum luidt duidelijk dat het hof het vonnis vernietigt voorzover aan 's hofs oordeel onderworpen. Uit het bovenstaande citaat blijkt dat het hof het appel van beide partijen beperkt heeft opgevat. De vrijspraak voor feit 1 is daarmee onherroepelijk geworden.
Het middel faalt.
4. Wat als tweede middel wordt gepresenteerd voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel zijn te stellen.(2) Tegenover de bewijsconstructie van het hof, inclusief de extra bewijsoverwegingen waarin het hof op de bewijsverweren van de advocaat van verdachte ingaat, weet de schriftuur niet meer te stellen dan dat het bewijs van het opzet tekort schiet. Waarom dat het geval zou zijn wordt niet geëxpliciteerd. Dit onderdeel kan buiten beschouwing worden gelaten.
5. Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase en is gegrond.
Op 13 juli 2007 is cassatie ingesteld, maar het dossier is eerst op 30 oktober 2008 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. Aldus is de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met zeven maanden en 17 dagen overschreden.
Deze schending dient tot een verlaging van de opgelegde straf te leiden.
6. Het derde middel is gegrond. Het eerste middel faalt en kan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Wat als tweede middel wordt voorgesteld voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld en kan buiten bespreking blijven.
7. Deze conclusie strekt tot verlaging van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
Bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met 07/10403 ([medeverdachte 2]), 07/10134 ([medeverdachte 1]), 07/10206 ([medeverdachte 7]), 08/01568 ([medeverdachte 4]) en 08/04492 ([medeverdachte 5]), in welke zaken ik ook vandaag concludeer.
2 Vgl. HR 4 september 2007, LJN BA5844.