ECLI:NL:PHR:2009:BI4195
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing Nederlands recht op huwelijksvermogensregime bij echtscheiding
De man en vrouw zijn in 1981 in Rotterdam gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen, zonder verrekenbeding of toepasselijk recht te benoemen. De vrouw had meerdere nationaliteiten, de man alleen de Nederlandse. Na echtscheiding in 2005 verzocht de man om verdeling alsof sprake was van gemeenschap van goederen, stellende dat partijen intern als zodanig leefden, wat de vrouw betwistte.
De rechtbank stelde vast dat het huwelijksvermogensregime beheerst wordt door Nederlands recht, het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit kort na huwelijkssluiting, en wees het verzoek van de man af. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat afwijkend gedrag van partijen onvoldoende was om van de huwelijkse voorwaarden af te wijken.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man. Het hof was gebonden aan het oordeel dat Nederlands recht van toepassing is, gelet op het commune conflictenrecht en het Haags Huwelijksvermogensverdrag. De stelling dat Spaanse handelingen gemeenschappen zouden hebben doen ontstaan, werd verworpen als onjuiste rechtsopvatting. Ook de toepassing van de Wet conflictenrecht huwelijksvermogensregime werd afgewezen vanwege het huwelijk vóór de inwerkingtreding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en wijst het verzoek tot verdeling als gemeenschap van goederen af.