ECLI:NL:PHR:2009:BI4686
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring beroep cassatie wegens termijnoverschrijding in ontnemingszaak op grond van Opiumwet
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 18 juli 2007 vastgesteld dat betrokkene uit opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet een wederrechtelijk voordeel van €43.706,- heeft verkregen. Het hof legde aan betrokkene de verplichting op om €43.560,- aan de Staat te betalen als ontneming van dat voordeel.
Betrokkene stelde op 25 juli 2007 beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Echter, binnen de wettelijk gestelde termijn werden geen cassatiemiddelen door een raadsman namens betrokkene ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten van artikel 437, tweede lid, juncto artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
De Procureur-Generaal concludeert dat betrokkene daarom niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen en verzoekt de Hoge Raad tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. Deze conclusie betreft tevens een samenhangende zaak met nummer 07/10873.
Uitkomst: Betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen door een raadsman.