ECLI:NL:PHR:2009:BI5910

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04130
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 sub a BWArt. 81 ROArt. 407 lid 2 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen ingebrekestelling bij niet-tijdige levering auto zonder fatale termijn

Op 11 december 2000 sloot de rechtsvoorgangster van verweerster in cassatie een koopovereenkomst met eiser tot cassatie voor een Mercedes Benz ML 270Cdi, met een levertijd bij benadering begin mei 2001. De auto werd niet geleverd en na mededeling van eiser op 21 augustus 2001 dat hij de auto niet wilde afnemen, verkocht [A] de auto aan een derde.

De rechtbank wees de vordering van [A] tot betaling van annuleringskosten toe en wees de reconventionele vordering van eiser tot ontbinding van de overeenkomst af. Het hof bekrachtigde dit vonnis. Eiser stelde cassatieberoep in met twee middelen.

Het eerste middel klaagde dat het hof ten onrechte oordeelde dat geen ingebrekestelling had plaatsgevonden, ondanks een mededeling van eiser tijdens de comparitie. Het hof had deze mededeling wel overwogen maar geoordeeld dat deze niet volstond als ingebrekestelling. Het tweede middel richtte zich tegen de afwijzing van de reconventionele vordering en het beroep op matiging, maar dit werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en feitelijke noviteiten die niet in cassatie konden worden meegenomen.

De Procureur-Generaal adviseerde verwerping van het cassatieberoep, en de Hoge Raad volgde dit advies, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; geen ingebrekestelling betekent geen verzuim en de vordering tot betaling van annuleringskosten wordt bevestigd.

Conclusie

08/04130
Mr. L. Timmerman
Zitting: 15 mei 2009
Conclusie inzake
[Eiser],
eiser tot cassatie
tegen
MERCEDES-BENZ DEALERBEDRIJVEN B.V. (rechtsopvolgster van [A] B.V.),
verweerster in cassatie
Verkorte conclusie
1. In deze zaak kan het cassatieberoep mijns inziens niet tot cassatie leiden. Gelet op de aard en omvang van de klachten volsta ik met een verkorte conclusie.
2. Op 11 december 2000 heeft de rechtsvoorgangster van verweerster in cassatie, [A] B.V. (hierna: "[A]"), een auto (een Mercedes Benz ML 270Cdi) verkocht aan eiser tot cassatie (hierna: "[eiser]") voor een bedrag (inclusief inruil) van f 116.721,-. In het koopcontract is (onder andere) opgenomen dat de auto bij benadering begin mei 2001 zou worden geleverd. De auto is uiteindelijk niet aan [eiser] afgeleverd, maar (nadat [eiser] [A] op 21 augustus 2001 had laten weten de auto niet te willen afnemen) verkocht aan een derde. [A] vordert een veroordeling van [eiser] tot betaling van (onder andere) de contractuele annuleringskosten ad € 19.647,10. In reconventie vordert [eiser] een verklaring voor recht dat de tussen partijen op 11 december 2000 gesloten overeenkomst is ontbonden.
3. Partijen zijn onder andere verdeeld over de vraag wanneer de auto klaar stond voor aflevering en wie op welk moment de andere partij heeft aangemaand tot afneming c.q. aflevering.
4. De rechtbank wijst de conventionele vordering toe en de reconventionele vordering af. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. [Eiser] stelt cassatieberoep in en voert twee middelen van cassatie aan.
5. Het eerste middel van cassatie (op p. 2, derde alinea van de cassatiedagvaarding) richt zich tegen rov. 5 van het eindarrest van het hof van 24 april 2008, dat (onder andere) als volgt luidt:
"[...]
Het hof neemt tot uitgangspunt dat tussen partijen overeengekomen is dat de levertijd "bij benadering begin mei 2001" zou zijn, zie de door beide partijen ondertekende overeenkomst. Het hof leidt hieruit af dat tussen partijen geen fatale termijn in de zin van art. 6:83 sub a BW Pro is afgesproken. [...] Dit brengt mee dat de tekortkoming van [A] de auto begin mei 2001 af te leveren voor herstel vatbaar was. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] aan [A] voorafgaand aan 21 augustus 2001 [...] een schriftelijke aanmaning in de zin van art. 6:82 BW Pro heeft gestuurd, waarbij [eiser] [A] een redelijke termijn stelt om alsnog na te komen en hij haar in gebreke stelt. Het moet er derhalve voor gehouden worden dat dit niet is gebeurd. De omstandigheid dat de aanschaf van de auto is gedaan met het oog op het gebruik van de auto tijdens de zomervakantie maakt dit in dit geval niet anders."
Het middel klaagt erover dat het hof met voornoemde overweging miskent dat [eiser] tijdens de comparitie van partijen op 28 april 2004 ten overstaan van de rechtbank heeft medegedeeld dat hij tegen [A] heeft gezegd dat als de auto in mei niet binnen was, hij de auto niet wilde. De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft de betreffende mededeling van [eiser] wel degelijk bij zijn overweging in aanmerking genomen (te weten in de laatste volzin van zijn rov. 5) en geoordeeld dat deze mededeling niet afdoet aan zijn oordeel dat van een aanmaning door [eiser] geen sprake is geweest.
6. Het tweede middel van cassatie (op p. 3, derde alinea van de cassatiedagvaarding) klaagt erover dat het hof ten onrechte de reconventionele vordering heeft afgewezen, aangezien (aldus het middel) het hof niet tot de conclusie had kunnen komen dat niet is komen vast te staan dat [A] jegens [eiser] in verzuim is komen te verkeren. Het middel klaagt voorts dat het beroep op matiging is afgewezen, aangezien duidelijk is geworden dat toewijzing van het door [A] gevorderde bedrag voor [eiser], die een minimaal inkomen heeft, tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. De klachten voldoen niet aan de ex art. 407 lid 2 Rv Pro aan het middel te stellen eisen. Het middel geeft onvoldoende specifiek aan welke beslissing van het hof bestreden wordt - hoewel wel geraden kan worden dat dat rov. 7 van het eindarrest van het hof is - en wat de gronden voor deze bestrijding zijn. De verwijzing door het middel in het kader van het beroep op matiging naar het minimale inkomen van [eiser] betreft een feitelijk novum, dat in cassatie niet in aanmerking kan worden genomen. Het beroep op matiging is namens [eiser] in feitelijke instanties uitsluitend gedaan in grief VI van zijn memorie van grieven van 3 maart 2005. In het kader van deze grief wordt echter niet gesteld dat hij een minimaal inkomen heeft. In de vierde en vijfde alinea op p. 3 van de cassatiedagvaarding verwijst het middel (als ik het middel goed begrijp) wederom naar voornoemde mededeling van [eiser] tijdens de comparitie van partijen op 28 april 2004 (het middel heeft het over "de vaststelling van de fatale datum"). Rov. 7 van het hof bouwt voort op rov. 5, waarin (zoals hierboven al aangegeven) het hof de betreffende mededeling wel degelijk in aanmerking heeft genomen. Ook hetgeen het middel in de vierde en vijfde alinea stelt, mist derhalve feitelijke grondslag.
7. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal