ECLI:NL:PHR:2009:BI5924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rechtspositie bij dwangmedicatie en klachtprocedure Wet Bopz
Betrokkene werd op 24 juli 2008 onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en kreeg op 4 augustus 2008 dwangmedicatie toegediend zonder dat hem eerst een schriftelijke beslissing over deze dwangbehandeling was meegedeeld, zoals vereist volgens art. 38c lid 2 Wet Bopz. Betrokkene diende daarop een klacht in bij de klachtencommissie en verzocht om schorsing van de dwangmedicatie, maar de behandeling werd voortgezet.
De rechtbank verklaarde de klacht ongegrond en oordeelde dat het ontbreken van een schriftelijke beslissing onzorgvuldig was, maar niet onrechtmatig. De Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim een wezenlijk voorschrift betreft en dat het oordeel van de rechtbank onjuist was. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat dwangbehandeling mag worden uitgevoerd voordat de klachtencommissie op het schorsingsverzoek beslist, omdat de klachtprocedure geen schorsende werking heeft.
Verder werd bevestigd dat de redelijke termijn in art. 38c lid 1 onder a Wet Bopz betrekking heeft op de termijn waarbinnen verbetering kan plaatsvinden en niet op de duur van opname. De rechtbank had terecht geoordeeld dat bij betrokkene na twaalf dagen opname aannemelijk was dat zonder dwangmedicatie het gevaar niet binnen een redelijke termijn kon worden weggenomen.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak naar de rechtbank terug voor verdere behandeling, ook in verband met het verzoek om immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking wegens het ontbreken van een schriftelijke beslissing tot dwangmedicatie en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.