ECLI:NL:PHR:2009:BI7129
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van bestuurder bij tegenstrijdig belang en de vereisten voor aanwijzingsbesluit
Deze zaak betreft de vraag of een bestuurder die tevens enig aandeelhouder is, bevoegd is een vennootschap te vertegenwoordigen bij transacties waarbij sprake is van tegenstrijdig belang zonder een uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit van de aandeelhouders. De casus draait om een managementovereenkomst en daaropvolgende financieringsovereenkomsten waarbij een bestuurder namens zowel de vennootschap als de financier optrad, wat leidde tot een situatie van tegenstrijdig belang.
De rechtbank Utrecht oordeelde dat zonder een expliciet aanwijzingsbesluit de vennootschap niet gebonden was aan de rechtshandelingen. Het hof Amsterdam vernietigde dit vonnis en stelde dat ondanks het ontbreken van een formeel aanwijzingsbesluit, uit de omstandigheden en gedragingen van de aandeelhouder en bestuurder kon worden afgeleid dat er instemming was met het optreden van de bestuurder bij tegenstrijdig belang.
De Hoge Raad bevestigt de noodzaak van een uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit bij tegenstrijdig belang conform artikel 2:256 BW Pro, maar erkent dat in bijzondere gevallen een impliciete instemming kan volstaan wanneer het onmiskenbaar duidelijk is dat de aandeelhouders vooraf op de hoogte waren en ondubbelzinnig hebben ingestemd met het handelen van de bestuurder. Tevens bespreekt de Hoge Raad de rol van statutenwijzigingen en de toepassing van redelijkheid en billijkheid bij de beoordeling van de gevolgen van onbevoegde rechtshandelingen. Daarnaast wordt ingegaan op de toepasselijkheid van verrekening in faillissementssituaties en de verhouding tussen verschillende wettelijke bepalingen.
Uitkomst: De vennootschap is niet gebonden aan de rechtshandelingen zonder uitdrukkelijk aanwijzingsbesluit, tenzij bijzondere omstandigheden dit anders rechtvaardigen.