ECLI:NL:PHR:2009:BI8410

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01124
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging faillissement Connecticom Waterland B.V. wegens betalingsonmacht

Connecticom Waterland B.V. stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof Amsterdam van 6 maart 2009, waarin het faillissement van Connecticom was bevestigd. Het hof had het vonnis van de rechtbank Haarlem van 6 januari 2009 bekrachtigd, waarin Connecticom op verzoek van schuldeisers in staat van faillissement werd verklaard.

De verweerders stelden zich op het standpunt dat Connecticom niet-ontvankelijk moest worden verklaard of dat het cassatieberoep moest worden afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen opriepen die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten.

De klachten betroffen onder meer de vraag of het vorderingsrecht van de schuldeisers voldoende was gebleken en of er sprake was van pluraliteit van crediteuren. Het hof had geoordeeld dat summierlijk was gebleken van het vorderingsrecht van een schuldeiser en dat er meerdere crediteuren waren, wat onder meer bleek uit het verslag van de curator.

Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had vastgesteld dat Connecticom in de toestand verkeerde dat zij was opgehouden te betalen. De stelling van Connecticom dat zij aanzienlijke inbare vorderingen had, was onvoldoende onderbouwd. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Connecticom Waterland B.V. wordt verworpen en het faillissement wordt bevestigd.

Conclusie

09/01124
Mr. L. Strikwerda
Zt. 12 juni 2009
conclusie inzake
Connecticom Waterland B.V.
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerder 2]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoekster tot cassatie, hierna: Connecticom, ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 6 maart 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van Connecticom het vonnis van de rechtbank Haarlem van 6 januari 2009, waarbij Connecticom op verzoek van thans verweerders in cassatie, hierna: [verweerders], in staat van faillissement is verklaard, bekrachtigd.
2. [Verweerders] hebben een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht Connecticom niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep, althans het cassatieberoep af te wijzen.
3. Het cassatieberoep berust op drie middelen. De in de middelen aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Middel 1 bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de vorderingsrechten van [verweerders] voldoende zijn gebleken, de tweede klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de pluraliteit van crediteuren voldoende is gebleken.
5. De eerste klacht faalt. Voor zover zij betrekking heeft op het door [verweerder 1] gepretendeerde vorderingsrecht, kan de klacht niet tot cassatie leiden, reeds omdat de omstandigheid dat over die vordering een procedure aanhangig is, anders dan het middel kennelijk wil betogen, niet in de weg staat aan het oordeel dat van het vorderingsrecht van [verweerder 1] summierlijk is gebleken. Voor zover de eerste klacht betrekking heeft op het door [verweerder 2] gepretendeerde vorderingsrecht, loopt de klacht reeds vast op gebrek aan belang, nu in cassatie tevergeefs wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het vorderingsrecht van de andere aanvrager, [verweerder 1], summierlijk is gebleken, zodat is voldaan aan het vereiste van art. 6 lid 3 Fw Pro dat van het vorderingsrecht van een het faillissement aanvragende schuldeiser summierlijk is gebleken. De tweede klacht loopt vooruit op de klacht van middel 2 en faalt op de hierna te melden gronden.
6. Middel 2 verwijt het hof geen oordeel te hebben gegeven omtrent de vraag of sprake is van pluraliteit van crediteuren.
7. Dit middel faalt, omdat uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat Connecticom in hoger beroep is opgekomen tegen het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat aan dit vereiste voor het uitspreken van het faillissement is voldaan. Overigens blijkt uit het verslag van de curator d.d. 3 februari 2009 onder "8. Crediteuren" dat sprake is van meerdere (preferente en concurrente) schuldeisers.
8. Middel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat Connecticom in de toestand verkeert dat zijn heeft opgehouden te betalen.
9. Dit middel zal niet tot cassatie kunnen leiden, omdat het oordeel van het hof in het licht van de inhoud van het genoemde verslag van de curator, naar welk verslag het hof verwijst, en de verklaring van de curator tijdens de behandeling in raadkamer van het hof (proces-verbaal, blz. 3), geenszins onbegrijpelijk is, en, feitelijk als dat oordeel is, in cassatie niet verder kan worden onderzocht (zie bijv. HR 26 augustus 2003, NJ 2003, 693). Het oordeel van het hof dat de stelling van Connecticom dat zij aanzienlijke inbare vorderingen heeft, als onvoldoende onderbouwd dient te worden gepasseerd, is in het licht van het verslag van de curator (zie onder "4. Debiteuren") en hetgeen namens Connecticom dienaangaande tijdens de behandeling in raadkamer van het hof naar voren is gebracht (zie proces-verbaal, blz. 2), evenmin onbegrijpelijk. De klacht dat het hof ten onrechte de bewijslast ten aanzien van de vraag of Connecticom in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, op Connecticom heeft gelegd, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat Connecticom in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, en dat hetgeen Connecticum ten verwere daartegen heeft aangevoerd, ontoereikend is.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,