ECLI:NL:PHR:2009:BI8410
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging faillissement Connecticom Waterland B.V. wegens betalingsonmacht
Connecticom Waterland B.V. stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof Amsterdam van 6 maart 2009, waarin het faillissement van Connecticom was bevestigd. Het hof had het vonnis van de rechtbank Haarlem van 6 januari 2009 bekrachtigd, waarin Connecticom op verzoek van schuldeisers in staat van faillissement werd verklaard.
De verweerders stelden zich op het standpunt dat Connecticom niet-ontvankelijk moest worden verklaard of dat het cassatieberoep moest worden afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen opriepen die beantwoording in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten.
De klachten betroffen onder meer de vraag of het vorderingsrecht van de schuldeisers voldoende was gebleken en of er sprake was van pluraliteit van crediteuren. Het hof had geoordeeld dat summierlijk was gebleken van het vorderingsrecht van een schuldeiser en dat er meerdere crediteuren waren, wat onder meer bleek uit het verslag van de curator.
Ten slotte oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had vastgesteld dat Connecticom in de toestand verkeerde dat zij was opgehouden te betalen. De stelling van Connecticom dat zij aanzienlijke inbare vorderingen had, was onvoldoende onderbouwd. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Connecticom Waterland B.V. wordt verworpen en het faillissement wordt bevestigd.