ECLI:NL:PHR:2009:BI8583
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking schadevergoeding nabestaanden bij opzettelijke doodslag in verkeerssituatie
Op 31 maart 2001 kwamen drie jonge inzittenden om het leven bij een verkeersongeluk veroorzaakt door opzettelijk handelen van een bestuurder. Nabestaanden vorderden schadevergoeding voor immateriële schade wegens het verlies en de wijze waarop zij geconfronteerd werden met het ongeval. De rechtbank en het hof wezen deze vorderingen af, stellende dat de wet, met name artikel 6:108 BW Pro, een limitatief stelsel kent voor vergoeding van overlijdensschade aan nabestaanden.
De Hoge Raad bevestigt dat het wettelijke stelsel geen ruimte laat voor vergoeding van immateriële schade aan nabestaanden anders dan de in de wet genoemde materiële schadeposten. Ook het opzettelijk karakter van het delict leidt niet tot verruiming van deze regeling. Voor vergoeding van shockschade is vereist dat de nabestaande het ongeval of de ernstige gevolgen daarvan direct heeft waargenomen, wat in deze zaak niet het geval was.
Daarnaast faalt het beroep op schending van persoonlijkheidsrechten en het EVRM, aangezien het recht op schadevergoeding niet leidt tot eerbiediging van het gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM Pro. Het wetsvoorstel tot wijziging van art. 6:108 BW Pro is nog in behandeling, waardoor de rechter terughoudend moet zijn in het verruimen van de aansprakelijkheid.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter geen wetgever is en dat het aan de wetgever is om het stelsel van schadevergoeding aan nabestaanden te herzien. Het cassatieberoep wordt verworpen en de vorderingen afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat nabestaanden geen immateriële schadevergoeding kunnen vorderen buiten de wettelijke beperkingen van art. 6:108 BW.