ECLI:NL:PHR:2009:BI9625
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping pensioenverweer bij echtscheiding op grond van art. 1:153 BW
De zaak betreft een echtscheiding tussen partijen die sinds 1970 gehuwd waren en huwelijkse voorwaarden hadden opgesteld. De vrouw vreesde dat door de echtscheiding haar aanspraken op nabestaandenpensioen zouden teloorgaan of ernstig verminderen. Zij verzocht daarom de echtscheiding aan te houden totdat de man had bewezen dat haar pensioenrechten niet verloren zouden gaan en dat de afstorting bij een pensioenverzekeraar had plaatsgevonden.
De rechtbank en het hof Amsterdam wezen dit verzoek af nadat was vastgesteld dat een deskundige was benoemd om de omvang van de pensioenrechten te berekenen en dat de man alle benodigde stukken had verstrekt. Het hof vond geen aanwijzingen dat de man zijn medewerking zou weigeren en oordeelde dat het pensioenverweer niet gegrond was.
In cassatie stond de uitleg van art. 1:153 BW Pro centraal, dat het pensioenverweer regelt en beperkt is tot nabestaandenpensioen en vergelijkbare uitkeringen. De vrouw stelde dat het pensioenverweer ook moest gelden bij onduidelijkheid over de omvang van de pensioenaanspraken en het risico dat pensioenfondsen zoekgemaakt zouden worden. De Hoge Raad verwierp deze ruime uitleg en bevestigde dat het pensioenverweer alleen geldt indien vaststaat dat een bestaand vooruitzicht op nabestaandenpensioen verloren gaat of vermindert.
De Hoge Raad oordeelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar pensioenrechten zouden worden aangetast, mede omdat de man bereid was zekerheid te stellen en medewerking te verlenen aan het deskundigenonderzoek. Ook het beroep op bijzondere omstandigheden, zoals het verlies van pensioengegevens, faalde omdat dit niet voldoende was onderbouwd in het hoger beroep. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het pensioenverweer van de vrouw werd verworpen en de echtscheiding uitgesproken met afstorting van pensioenrechten.