ECLI:NL:PHR:2009:BJ1246

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00706
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging faillietverklaring ondanks verjaringsverweer en betwiste vorderingen

De zaak betreft een cassatieberoep van eiser tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het vonnis van de rechtbank Middelburg bekrachtigde waarin eiser op verzoek van de gemeenten Vlissingen en Middelburg in staat van faillissement werd verklaard.

Eiser voerde drie middelen aan, waaronder dat het hof geen rekening had gehouden met de verjaring van de meeste vorderingen en dat het hof ten onrechte betaalde of betwiste vorderingen aan zijn oordeel ten grondslag had gelegd. De Hoge Raad oordeelde dat een beroep op verjaring in cassatie niet voor het eerst kan worden gedaan omdat dit een feitelijke beoordeling vereist.

Verder faalden de klachten over de erkenning van vorderingen en de beoordeling van het betalingsonvermogen, aangezien het hof voldoende had vastgesteld dat eiser niet binnen afzienbare tijd aan zijn verplichtingen kan voldoen. Ook de klacht over het ontbreken van originele besluiten faalde omdat de wet dit niet vereist.

Ten slotte werd het middel verworpen dat het hof onterecht van eiser zou hebben verlangd gelden onder de curator te storten; het hof had slechts gereageerd op een voorstel van eiser. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de faillietverklaring van eiser wordt bevestigd.

Conclusie

09/00706
Mr L. Strikwerda
Zt. 26 juni 2009
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1. de Gemeente Vlissingen
2. de Gemeente Middelburg
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [eiser], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 februari 2009. Bij dit arrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank Middelburg van 29 oktober 2008, waarbij [eiser] op verzoek van thans verweersters tot cassatie, hierna: de gemeenten, in staat van faillissement werd verklaard, bekrachtigd.
2. De gemeenten hebben een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
3. Het cassatieberoep berust op drie middelen. De daarin aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Middel I verwijt het hof geen overweging te hebben gewijd aan de omstandigheid dat het merendeel van de op verbeurde dwangsommen gebaseerde vorderingsrechten die de gemeenten ten grondslag hebben gelegd aan hun verzoek tot faillietverklaring, reeds zijn verjaard.
5. Het middel faalt omdat het berust op het onjuiste uitgangspunt dat de rechter het middel van verjaring ambtshalve dient toe te passen. In cassatie kan, anders dan [eiser] kennelijk meent, niet voor het eerst een beroep op verjaring worden gedaan, nu dit een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is.
6. Middel II bevat vier klachten.
7. De eerste klacht (onder 5.2) houdt in dat het hof ten onrechte reeds betaalde en/of nadrukkelijk en gemotiveerd betwiste vorderingen aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. De klacht faalt reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag, nu het oordeel van het hof r.o. 8, tegen welk oordeel de klacht kennelijk is gericht, berust op vorderingen die [eiser] ter zitting heeft erkend, en niet betrekking heeft op vorderingen die [eiser] heeft betwist.
8. De tweede klacht (onder 5.3 en 5.4) verwijt het hof te hebben miskend dat het er niet omgaat of [eiser] het bestaan van meerdere vorderingen heeft erkend, maar of hij verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. De klacht kan geen doel treffen, omdat zij berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft - onbestreden in cassatie - overwogen dat voldoende is gebleken dat [eiser] niet binnen afzienbare tijd zijn schuldeisers zal kunnen voldoen door een toereikend bedrag ter beschikking te stellen van de curator en dat hij evenmin is staat is anderszins een adequate regeling met zijn schuldeisers en de curator te treffen. Deze overweging, tezamen met de overweging dat [eiser] meerdere (steun)vorderingen heeft erkend, biedt voldoende grond voor 's hofs oordeel dat [eiser] verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.
9. De derde klacht (onder 5.5) voldoet niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, nu daarin niet wordt aangegeven welk oordeel van het hof op welke grond niet in stand zou kunnen blijven.
10. De vierde klacht (onder 5.6) houdt in dat het hof heeft miskend dat de gemeenten de originele besluiten waarop de gestelde vorderingsrechten berusten, hadden moeten overleggen. De klacht faalt omdat zij uitgaat van een eis die de wet niet kent.
11. Middel III klaagt dat het hof ten onrechte van [eiser] heeft verlangd dat hij zekere gelden onder de curator stort en dat het vervolgens geheel ter beoordeling van de curator is wat er verder met die gelden gaat gebeuren.
12. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat van [eiser] verlangd zou mogen worden dat hij gelden onder de curator stort, en evenmin dat het vervolgens geheel ter beoordeling van de curator staat wat er met die gelden gebeurt. Het hof heeft slechts gereageerd op een voorstel dat namens [eiser] door diens advocaat is gedaan bij brief van 28 januari 2009.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,