ECLI:NL:PHR:2009:BJ1246
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging faillietverklaring ondanks verjaringsverweer en betwiste vorderingen
De zaak betreft een cassatieberoep van eiser tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het vonnis van de rechtbank Middelburg bekrachtigde waarin eiser op verzoek van de gemeenten Vlissingen en Middelburg in staat van faillissement werd verklaard.
Eiser voerde drie middelen aan, waaronder dat het hof geen rekening had gehouden met de verjaring van de meeste vorderingen en dat het hof ten onrechte betaalde of betwiste vorderingen aan zijn oordeel ten grondslag had gelegd. De Hoge Raad oordeelde dat een beroep op verjaring in cassatie niet voor het eerst kan worden gedaan omdat dit een feitelijke beoordeling vereist.
Verder faalden de klachten over de erkenning van vorderingen en de beoordeling van het betalingsonvermogen, aangezien het hof voldoende had vastgesteld dat eiser niet binnen afzienbare tijd aan zijn verplichtingen kan voldoen. Ook de klacht over het ontbreken van originele besluiten faalde omdat de wet dit niet vereist.
Ten slotte werd het middel verworpen dat het hof onterecht van eiser zou hebben verlangd gelden onder de curator te storten; het hof had slechts gereageerd op een voorstel van eiser. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de faillietverklaring van eiser wordt bevestigd.