ECLI:NL:PHR:2009:BJ2572

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00743
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377b lid 1 BWArt. 1:377b lid 2 BWArt. 81 ROArt. 289 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering wijziging informatieregeling tussen ouders op grond van belang kind

In deze zaak ging het om een verzoek van de moeder om de bestaande regeling op grond van artikel 1:377b lid 1 BW te wijzigen, waarbij zij de vader tweemaal per jaar schriftelijke informatie en een recente foto van hun zoon moest verstrekken. De moeder wilde dat deze regeling buiten toepassing zou worden gelaten.

De rechtbank wees het verzoek af en het hof bekrachtigde deze beslissing. Het hof oordeelde dat de moeder onvoldoende objectieve gronden had aangevoerd om het recht van de vader op informatie te ontzeggen en dat er geen bewijs was van misbruik van de verstrekte gegevens.

De moeder stelde in cassatie dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met de wederzijdse belangen van de ouders en de bezwaren van de moeder tegen het verstrekken van een foto. Ook stelde zij dat de proceskostenveroordeling onrechtmatig was omdat zij niet vooraf was gehoord en dat deze disproportioneel was.

De Hoge Raad verwierp deze middelen, overwegende dat het hof de belangen van het kind en de ouders zorgvuldig had afgewogen en dat een proceskostenveroordeling geen sanctie is maar een vergoeding voor gemaakte kosten. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de bestaande informatieregeling blijft van kracht.

Conclusie

09/00743
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 3 juli 2009
Conclusie inzake
[De moeder]
tegen
[De vader]
Inleiding
1. De onderhavige zaak betreft een verzoek tot wijziging van een eerder door de rechtbank bij in hoger beroep bekrachtigde beschikking vastgestelde regeling als bedoeld in art. 1:377b lid 1 BW op grond waarvan thans verzoekster tot cassatie (verder: de moeder) aan thans verweerder in cassatie (verder: de vader) tweemaal per jaar schriftelijke informatie over zijn zoon (geboren [geboortedatum] 2001) en een recente foto van hem moet verschaffen. Het verzoek strekt ertoe dat de regeling buiten toepassing wordt gelaten. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 22 januari 2008 afgewezen. Het hof heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 19 november 2008.
2. De moeder heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De vader heeft een verweerschrift ingediend.
3. De in het cassatierekest aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO Pro. Deze zaak komt in aanmerking voor een verkorte conclusie.
De cassatiemiddelen
4. Middel I - dat is opgenomen onder nr. 7 van het cassatierekest - richt zich tegen rechtsoverweging 7 t/m 10 van de bestreden beschikking. Het strekt als ik het goed begrijp ten betoge dat het hof bij de beoordeling van de informatieregeling rekening had moeten houden met "de wederzijdse belangen", waarmee het middel klaarblijkelijk het oog heeft op de belangen van het kind die de moeder beoogt te behartigen en de belangen van de vader, en dat het hof dat heeft nagelaten door voorbij te gaan aan de door de moeder geopperde bezwaren om de vader halfjaarlijks (ook) een foto van de zoon te verschaffen.
Het in art. 1:377b lid 1 BW neergelegde recht op informatie (en consultatie) van de niet met het gezag belaste ouder jegens de met gezag belaste ouder vindt mede zijn grondslag in art. 8 EVRM Pro en strekt ertoe te voorkomen dat de band tussen het kind en de andere ouder in ernstiger mate wordt verbroken dan wordt gerechtvaardigd door de gronden die zich tegen het treffen van een omgangsregeling verzetten. (Zie Asser-De Boer, 2006, nr. 1022.) De rechter die op verzoek van een ouder een regeling kan vaststellen, kan ingevolge het tweede lid van art. 1:377b BW bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft indien het belang van het kind zulks vereist. Het hof heeft het verzoek van de moeder afgewezen op de grond dat de moeder het hof niet heeft kunnen overtuigen dat er voor de door haar geopperde bezwaren enige objectieve grond bestaat en dat aan het hof van het gestelde - door de vader betwiste - misbruik van de te verstrekken gegevens (waaronder de foto) niet is gebleken. Het hof heeft aldus beoordeeld of de belangen van het kind vereisten dat aan de vader het recht op informatie werd ontzegd en het heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het heeft de door de moeder aangevoerde bezwaren gewogen en te licht bevonden. Het middel faalt dan ook.
5. Middel II - dat is opgenomen onder nr. 8 van het cassatierekest - is gericht tegen de uitvoerig gemotiveerde beslissing van het hof de moeder in de proceskosten van de vader te veroordelen. Het middel klaagt dat de vader niet gemotiveerd heeft verzocht de moeder in de proceskosten te veroordelen en dat een veroordeling in de proceskosten als de onderhavige het karakter heeft van een sanctie, zodat art. 6 EVRM Pro het hof verplichtte om de moeder vooraf te horen over de veroordeling in de proceskosten en dat het hof deze veroordeling had moeten toetsen aan de in datzelfde artikel neergelegde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Dit middel faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag nu het hof in rechtsoverweging 11 heeft vooropgesteld dat de vader gemotiveerd heeft verzocht de moeder in de proceskosten te veroordelen. Daarbij teken ik aan dat het hof kennelijk en geenszins onbegrijpelijk in het door de vader gevoerde verweer de motivering heeft gelezen voor diens verzoek de moeder in de proceskosten te veroordelen. Ook overigens faalt het middel. Het hof is op grond van zijn overwegingen die hebben geleid tot zijn beslissing op het door de moeder ingestelde hoger beroep, mede gelet op het partijdebat en de opstelling van de moeder tijdens de behandeling in hoger beroep, tot de slotsom gekomen dat de moeder de vader lichtvaardig in het hoger beroep heeft betrokken, zodat het naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd is de moeder te veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Dat stond het hof vrij ingevolge het bepaalde in art. 289 Rv Pro. juncto art. 362 Rv Pro. (zie ook HR 5 oktober 2001, NJ 2001, 651). Art. 6 EVRM Pro verplichtte het hof geenszins de moeder vooraf te horen over de veroordeling in de proceskosten en evenmin om deze veroordeling te toetsen aan de in datzelfde artikel neergelegde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Een proceskostenveroordeling heeft niet het karakter van een sanctie als door het middel bedoeld, doch betreft een (forfaitair vastgestelde) vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden