ECLI:NL:PHR:2009:BJ2785
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling klaagschrift tegen beslag op grond van artikel 94a Sv in drugshandelzaak
In deze zaak stond de beoordeling van een klaagschrift centraal dat gericht was tegen een beslag op een geldbedrag van in totaal €14.350,--, waarvan €7.000,-- reeds in een aparte procedure was behandeld. De rechtbank verklaarde het klaagschrift voor het deel van €7.000,-- niet-ontvankelijk en voor het overige deel van €7.350,-- ongegrond. Dit omdat het strafvorderlijk belang zich verzette tegen teruggave van het geld, gelet op verdenkingen van handel in drugs en deelneming aan een criminele organisatie.
De Hoge Raad bevestigde dat bij een klaagschrift tegen beslag op grond van artikel 94a Sv de rechter moet toetsen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later een geldboete of ontnemingsmaatregel zal opleggen waarbij het beslag kan worden verhaald. Tevens moet worden vastgesteld of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de derde eigenaar is van het in beslag genomen goed.
De rechtbank had deze maatstaf correct toegepast en geoordeeld dat het niet vaststond dat klager eigenaar was van het geld, mede omdat de zonen van klager niet op zijn adres woonden maar mogelijk vanuit dat huis hun drugshandel organiseerden. De Hoge Raad vond het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en verwierp het cassatiemiddel.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dat het beroep ongegrond moest worden verklaard, waarmee het beslag op het geld gehandhaafd bleef in het kader van het strafrechtelijk onderzoek en mogelijke ontnemingsmaatregelen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geld blijft gehandhaafd.