1 Tussenarrest d.d. 11 februari 2003, rov. 4.4.1.
2 Tussenarrest d.d. 3 augustus 2004, rov. 8.3.2, 8.6.3; tussenarrest d.d. 24 april 2007, rov. 17.6-17.7; eindarrest, rov. 20.3 (in cassatie onbestreden).
3 Tussenarrest d.d. 11 februari 2003, rov. 4.4.4 en 4.6.
4 Zie de arresten van 11 februari 2003, 3 augustus 2004, 28 december 2004, 24 oktober 2006 en 24 april 2007.
5 Zie m.b.t. cassatie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 46; Korthals Altes, Burgerlijke Rechtsvordering, (losbl.) art. 398, aant. 5; Winters 2008 (T&C Rv), art 398, aant. 2 sub e. Zie m.b.t rechtsmiddelen in het algemeen: Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 51; Snijders/Klaassen, Meijer (2007), nr. 67; Hovens, Civiel appel (2007), nr. 2.7.1; Hugenholtz/Heemskerk (2006), nr. 25; Snijders/Wendels, Civiel appel (2003), nr. 91; A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie voor HR 6 december 2002, NJ 2004, 162 (onder 3.3 e.v.).
6 Tevens gepubliceerd in JBPr 2004, 36, m.nt. K. Teuben.
7 Zie naast de hieronder te noemen jurisprudentie ook HR 11 februari 2005, NJ 2006, 44 (cassatieberoep tegen bewindvoerders van tijdens hoger beroep overleden natuurlijke persoon niet ontvankelijk); HR 7 juni 1991, NJ 1992, 392 (verschenen erven hebben geen in rechte te respecteren belang bij beroep op niet-ontvankelijkheid). Zie over een eventuele onderzoeksplicht van de partij die het rechtsmiddel instelt (m.b.t. rechtspersonen) : HR 11 maart 2005, NJ 2005, 224 m.nt. HJS; HR 10 september 2004, NJ 2005, 223.
8 Vgl. A-G Langemeijer in zijn conclusie voor HR 19 maart 2004, NJ 2004, 619 (onder 3.3).
9 Bedoeld is de memorie na deskundigenbericht d.d. 28 februari 2006. In deze memorie (sub 6) wordt als zoon van de opdrachtgever genoemd [betrokkene 1]
10 In deze zin ook HR 11 februari 2005, NJ 2006, 44 (rov 3.2) i.v.m. conclusie A-G Wesseling-van Gent voor het arrest (onder 2.4): eiser tot cassatie niet-ontvankelijk nu het hof in zijn arrest het overlijden heeft vastgesteld en erfgenamen in cassatie niet zijn verschenen. Vgl. HR 6 december 2002, NJ 2004, 162 m.nt. H.J. Snijders (rov. 3.6): geen sprake van situatie dat appellant niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat de in eerste aanleg minderjarige ten tijde van het uitbrengen van de appeldagvaarding inmiddels meerderjarig was geworden, nu diens leeftijd aan appellant bekend is uit de door deze in eerste aanleg verzochte procesvolmacht en deze leeftijd bovendien in het vonnis waarvan beroep was vermeld. Vgl. ook HR 5 februari 1971, NJ 1971, 209: nu de geboortedatum in de gedingstukken is te vinden, doet zich niet de situatie voor dat van eiseres tot cassatie redelijkerwijs niet gevergd had kunnen worden dat zij bij het uitbrengen van de dagvaarding rekening hield met de mogelijkheid dat de minderjarige intussen meerderjarig was geworden.
11 In deze zin ook HR 11 februari 2005, NJ 2006, 44, aangehaald in noot 10.