ECLI:NL:PHR:2009:BJ3043
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij overlijden partij tijdens procedure
In deze zaak ging het om een cassatieberoep ingesteld door eiseres tegen verweerder, die tijdens de procedure in hoger beroep was overleden. De procedure betrof een geschil over toerekenbare tekortkoming en schadevergoeding in verband met een bouwopdracht.
De Hoge Raad overwoog dat het instellen van een rechtsmiddel tegen een overleden partij in beginsel niet-ontvankelijk is, tenzij de wederpartij niet op de hoogte was van het overlijden en dat ook redelijkerwijs niet kon zijn, of de erfgenamen zijn verschenen en geen belang hebben bij niet-ontvankelijkheid. In deze zaak was het overlijden van verweerder bekend bij eiseres, zoals blijkt uit eerdere tussenarresten van het hof.
De cassatiedagvaarding was niet aan de erfgenamen gericht maar aan de overledene zelf, waardoor eiseres in beginsel niet ontvankelijk was. Omdat geen erfgenamen waren verschenen en geen uitzonderingen van toepassing waren, concludeerde de Advocaat-Generaal tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet op naam van de erfgenamen van de overleden verweerder was ingesteld.