ECLI:NL:PHR:2009:BJ3665
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor het voeren van de titel advocaat zonder daartoe gerechtigd te zijn
Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens het zonder daartoe gerechtigd te zijn voeren van de titel advocaat. Hij was per 27 februari 2004 van het tableau geschrapt en trad daarna toch op als advocaat, onder meer door in toga te verschijnen en een pleitnota in te dienen in een civiele procedure. Daarnaast hield hij zijn onderneming vermeld als advocatenkantoor in telefoongidsen.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het hof ten onrechte tot bewezenverklaring was gekomen omdat niet uit de bewijsmiddelen bleek dat hij niet in het buitenland bevoegd was de titel advocaat te voeren. De Hoge Raad oordeelt dat het niet vereist is dat de rechter uitsluit dat verdachte in het buitenland bevoegd is, omdat dit een probatio diabolica zou zijn. Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en geen aannemelijk bewijs geleverd van buitenlandse bevoegdheid.
De Hoge Raad bevestigt dat het voeren van de titel advocaat zonder daartoe gerechtigd te zijn een strafbaar feit is en dat de bewijsvoering voldoende was. Het beroep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor het zonder daartoe gerechtigd te zijn voeren van de titel advocaat.