28. Het hof heeft de door de raadsman van verzoeker gevoerd verweren onder het hoofd "strafbaarheid van feit en dader" als volgt samengevat en verworpen:
"Van de zijde van de verdachte is, op de gronden als vermeld in de door de raadsman overgelegde pleitnota, welke als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd, zakelijk samengevat weergegeven, aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van rechtsvervolging op grond van (putatief) noodweer, c.q. (putatief) noodweerexces.
Er was, aldus de raadsman, sprake van een noodweer situatie (de vader van verdachte werd belaagd). Verdachte meende en mocht menen dat het slachtoffer van zijn schieten de aanranding pleegde.
Hij zag het slachtoffer schoppende bewegingen maken. Pas na het moment dat het slachtoffer was geraakt en opzij was gegaan zag hij dat zijn vader door een ander werd belaagd.
Hij heeft het slachtoffer, [dat] met de rug naar hem gekeerd was toegeroepen om te stoppen. Hij heeft hem bewust in de schouder geschoten toen het slachtoffer niet reageerde op zijn toeroep. Hij stond op anderhalve meter.
Hij kon niet anders reageren dan dat hij heeft gedaan. Het op de benen schieten was geen optie, omdat dit teveel risico voor zijn op de grond liggende vader opleverde. Hetzelfde geldt voor het schieten op de andere schouder omdat dan in de richting van de weg werd geschoten waar zich andere personen bevonden.
Het oordeel van het hof.
Het hof verwerpt de verweren.
Verdachte heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij knallen hoorde, naar zijn slaapkamer is gelopen, een revolver heeft gepakt en daarna naar buiten is gelopen. Toen hij zijn woning uit kwam zag hij zijn vader op de grond liggen met een andere persoon boven of bovenop hem.
Voorts zag hij dat [betrokkene 1] met een schop in zijn handen stond en hij meende te zien dat [slachtoffer 1] in de buurt van zijn vader schoppende bewegingen maakte. Hij meende zijn vader op dat moment te moeten verdedigen.
Verdachte stelt eerst onder het geven van een mondelinge waarschuwing het wapen te hebben gericht op [betrokkene 1], die daarop de schop liet vallen.
Vervolgens heeft hij [slachtoffer 1] gewaarschuwd die niet reageerde.
Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat [slachtoffer 1] op dat moment met de rug naar verdachte was gekeerd.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vervolgens met zijn revolver gericht heeft geschoten op de linkerschouder van [slachtoffer 1].
Het hof is - evenals de eerste rechter - van oordeel dat, nog daargelaten of in casu sprake was van een noodweersituatie, het middel dat verdachte gebruikte, namelijk het van dichtbij met een revolver schieten op [slachtoffer 1], omdat deze schoppende bewegingen maakte naar zijn, verdachte's vader, buitenproportioneel was, zodat reeds om die reden een beroep op noodweer dan wel putatief noodweer verworpen wordt.
Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat verdachte daarnaast naar het oordeel van het hof ook andere minder vergaande keuzemogelijkheden had nu verdachte zich gelet op het onderzoek ter terechtzitting - verdachte heeft geschoten van een afstand van maximaal anderhalve meter - op betrekkelijk korte afstand bevond van diegene die in zijn visie zijn vader belaagde en er zich tussen hem en het slachtoffer kennelijk geen andere personen hebben bevonden. Of verdachte er daarbij vanuit mocht gaan dat het slachtoffer [dat] met zijn rug naar hem toe stond opzettelijk niet reageerde op de toeroep die verdachte zou hebben gedaan, dan wel dat verdachte rekening moest houden met de mogelijkheid dat het slachtoffer in de opwinding van het moment die toeroep niet heeft gehoord, wordt door het hof verder in het midden gelaten.
De raadsman heeft ten aanzien van het noodweerexces en putatief noodweerexces aangevoerd dat de verdachte in ieder geval onderhevig was aan een zodanige heftige gemoedsbeweging dat het begrijpelijk en verschoonbaar is dat verdachte - mocht verdachte te ver zijn gegaan in zijn verdediging - zo heeft gehandeld als feitelijk is gebeurd. Het feit dat verdachte kalm en welbewust een revolver heeft gericht op de schouder van het slachtoffer en bewust heeft geschoten met een zodanige precisie dat hij het slachtoffer in de schouder heeft geraakt is niet strijdig met het bestaan van een heftige gemoedsbeweging die als gevolg heeft dat proportionaliteit en subsidiariteit uit het oog worden verloren.
Voor het slagen van een beroep op noodweerexces dan wel op putatief noodweerexces is vereist dat er sprake is van handelen, veroorzaakt door een - door de aanranding c.q. ingebeelde/vermeende aanranding van de vader van verdachte teweeggebrachte hevige gemoedsbeweging, zodanig dat uit deze gemoedsbeweging de excessieve reactie te verklaren moet zijn.
Naar het oordeel van het hof is, mede gelet op de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, niet aannemelijk geworden dat er een zodanige hevige gemoedstoestand bij verdachte bestond, veroorzaakt door de (ingebeelde/vermeende) aanranding van de vader van verdachte, waaruit het schieten op [slachtoffer 1] te verklaren moet zijn geweest en verdachte niet meer de afweging kon maken om te kiezen voor een andere, minder vergaande reactie.
De hierbij door de raadsman genoemde samenloop waarbij enerzijds verdachte kalm en welbewust een revolver heeft gericht op de schouder van het slachtoffer en bewust heeft geschoten met een zodanige precisie dat hij het slachtoffer in de schouder heeft geraakt met het tegelijkertijd bestaan van een heftige gemoedsbeweging die als gevolg heeft dat proportionaliteit en subsidiariteit uit het oog worden verloren, is naar het oordeel van het hof niet alleen wezensvreemd aan noodweerexces als door de wetgever bedoeld, maar is bovendien op geen enkele wijze aannemelijk geworden.
Het hof wijst er in dit verband (nogmaals) op dat verdachte heeft verklaard dat hij eerst (mondeling) heeft gewaarschuwd en pas toen dat niet het beoogde resultaat opleverde bewust heeft geschoten.
Ook anderszins is noodweerexces of putatief noodweerexces niet aannemelijk geworden.
Het hof heeft dit gegeven bezien in onderling verband en samenhang met de verklaring van verdachte dat hij in staat was de afweging te maken om met precisie op de linker schouder van [slachtoffer 1] te richten.
Van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is het hof niet gebleken."