ECLI:NL:PHR:2009:BJ5403
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling van opgebouwde pensioenrechten na ontbinding huwelijk in algehele gemeenschap van goederen
De vrouw en de man waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en het huwelijk werd in 1982 ontbonden. De vrouw vordert betaling van een tijdsevenredig deel van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen, stellende dat nog geen verdeling van de pensioenrechten heeft plaatsgevonden.
De rechtbank wees deze vordering af en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof stelde vast dat het ouderdomspensioen aan de man toekomt en het bijzonder weduwepensioen aan de vrouw, en dat alleen bij overbedeling van een van de partijen een verrekening plaatsvindt. De vrouw kon onvoldoende gemotiveerd aantonen dat de pensioenberekening van de verzekeraar onjuist was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de vrouw. Het hof had volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat de vordering van de vrouw moest worden afgewezen, omdat geen sprake was van overbedeling van de man. De waardeverrekening was correct toegepast conform het arrest Boon/Van Loon, waarbij pensioenrechten niet rechtstreeks worden toegedeeld maar via waardeverrekening worden betrokken bij de verdeling.
De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid in het oordeel van het hof en wees het beroep af met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: De vordering van de vrouw tot betaling van een tijdsevenredig deel van het ouderdomspensioen wordt afgewezen wegens correcte waardeverrekening volgens het arrest Boon/Van Loon.