ECLI:NL:PHR:2009:BJ6953

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01712 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van profijtontneming bij gezamenlijke hennepteelt zonder nadere motivering

In deze zaak heeft het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 15 oktober 2007 aan verzoeker de verplichting opgelegd om een bedrag van €49.381,68 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Verzoeker stelde in cassatie dat het voordeel gelijk verdeeld had moeten worden omdat het feit bewezen was gepleegd door twee personen.

De Hoge Raad oordeelt dat dit verweer in cassatie voor het eerst wordt aangevoerd en daarom buiten bespreking moet blijven. Het hof heeft bovendien op grond van diverse omstandigheden vastgesteld dat er ten minste twee oogsten hebben plaatsgevonden, wat niet onbegrijpelijk is.

Een ander verweer dat het voordeel slechts €10.000 had mogen bedragen omdat dit bedrag was kwijtgescholden in ruil voor het op naam stellen van de hennepplantage, is eveneens niet tijdig aangevoerd en wordt niet behandeld.

De Hoge Raad vindt geen ambtshalve gronden voor vernietiging en verwerpt het beroep. De volledige toerekening van het voordeel zonder nadere motivering is niet begrijpelijk, maar dit leidt niet tot vernietiging van het arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van €49.381,68 blijft gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 08/01712 P
Mr Jörg
Zitting 1 september 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Betrokkene = verzoeker]
1. Het gerechtshof te Arnhem, heeft bij arrest van 15 oktober 2007 aan verzoeker de verplichting opgelegd om een bedrag van € 49.381, 68 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.W.G.J. IJseldijk, advocaat te Arnhem, bij schriftuur één middel bestaande uit 3 subklachten van cassatie voorgesteld.
3. De eerste klacht houdt in dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat het hof in de hoofdzaak heeft vastgesteld dat het feit is gepleegd door twee personen. Het berekende voordeel had volgens de steller van het middel ponds-ponds gelijk verdeeld moeten worden.
4. Deze klacht betreft een verweer dat thans voor het eerst in cassatie wordt aangevoerd en daarom buiten bespreking moet blijven.
5. In de tweede plaats klaagt het middel over 's hofs vaststelling dat er twee oogsten hebben plaatsgevonden.
6. 's Hofs vaststelling dat er twee oogsten hebben plaatsgevonden, is blijkens het arrest gebaseerd op een aantal omstandigheden. De tijd dat de hennepplantage in werking is geweest, de gemiddelde oogsttijd, de grootte van de aangetroffen hennepplanten, het aantreffen van verdroogde hennepbladeren en het stof op de apparatuur. Dat het hof alléén is uitgegaan van het op de apparatuur aangetroffen stof zou zijn uitgegaan mist derhalve feitelijke grondslag. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is 's hofs oordeel dat er (tenminste) tweemaal is geoogst niet onbegrijpelijk.
7. Ten slotte bevat het middel de klacht dat het hof slechts € 10.000 als voordeel had mogen rekenen nu dat het bedrag is dat aan verzoeker is kwijtgescholden in ruil voor het op zijn naam stellen van de hennepplantage. Ook dit verweer is in feitelijke aanleg niet gevoerd zodat het eveneens tardief is.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G