ECLI:NL:PHR:2009:BJ6964
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie tegen tussenbeschikking inzake terbeschikkingstelling inbeslaggenomen stukken
In deze zaak betrof het geschil een vordering tot het ter beschikking stellen van inbeslaggenomen stukken van overtuiging op grond van artikel 552, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank Amsterdam had bij tussenbeschikking de vordering van de officier van justitie toegewezen voor zover het de stukken betrof die betrekking hadden op klager.
Klager stelde hiertegen beroep in cassatie in, gericht tegen deze tussenbeschikking. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde echter dat het cassatieberoep niet ontvankelijk kon worden verklaard omdat het cassatieberoep tegen tussenbeschikkingen die geen einduitspraak zijn, slechts gelijktijdig met het beroep tegen de einduitspraak kan worden ingesteld.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het cassatieberoep van klager niet-ontvankelijk. Hiermee werd bevestigd dat tussentijdse beslissingen in strafzaken niet zelfstandig in cassatie kunnen worden aangevochten, tenzij gelijktijdig met de einduitspraak.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de procedurele regels omtrent cassatieberoepen en de beperking van de ontvankelijkheid bij tussentijdse beslissingen in strafzaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klager tegen de tussenbeschikking is niet-ontvankelijk verklaard.