ECLI:NL:PHR:2009:BJ7008

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04196
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en schadevergoeding bij aanrijding met ter reparatie afgegeven auto

In deze zaak staat centraal de aansprakelijkheid en schadevergoeding na een aanrijding met een auto die ter reparatie was afgegeven. Eiser 2 had een overeenkomst gesloten om de auto van verweerder te repareren na een eerste ongeval. Nadat de auto was gerepareerd, raakte eiser 1 betrokken bij een tweede aanrijding waarbij de auto total loss werd verklaard.

Het hof had eerder geoordeeld dat eiser c.s. aansprakelijk waren voor de schade en dat de reparatiekosten niet voldoende waren onderbouwd. Eiser c.s. voerden meerdere middelen aan in cassatie, waaronder dat het hof ten onrechte hun grief niet in behandeling had genomen, dat de reparatiekosten wel voldoende waren gemotiveerd, dat de bewijslast onjuist was gelegd en dat een bewijsaanbod ten onrechte was gepasseerd.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de grief niet had behandeld vanwege onvoldoende motivering, dat het oordeel over de onvoldoende onderbouwing van de reparatiekosten begrijpelijk was, dat de bewijslast voor de tegenvordering bij eiser c.s. lag en dat het bewijsaanbod terecht was gepasseerd wegens onvoldoende concreetheid.

Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd, waarmee de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding definitief werden vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Conclusie

08/04196
mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 4 september 2009 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
1. [Eiser 1]
2. [Eiser 2],
hierna gezamenlijk: [eiser] c.s.,
adv. mr. M.P. de Witte,
tegen
[Verweerder],
adv. mr. S.M. Kingma.
Deze zaak leent zich voor een verkorte conclusie.
1. Tussen verweerder in cassatie, [verweerder], en eiser tot cassatie sub 2, [eiser 2], is in mei 2004 een overeenkomst tot stand gekomen waarbij [eiser 2] zich jegens [verweerder] heeft verbonden tegen betaling schade aan de auto van [verweerder] te repareren. Deze schade was ontstaan als gevolg van een eenzijdig ongeval (hierna: het eerste ongeval). Ter uitvoering van de reparatiewerkzaamheden heeft [verweerder] de auto bij [eiser 2] achtergelaten en daarbij een aanbetaling gedaan van € 300. Nadat de auto door [eiser 2] was gerepareerd heeft diens zoon, eiser tot cassatie sub 1, [eiser 1], op 20 juni 2004 met de auto gereden. Hij is daarbij betrokken geraakt bij een aanrijding, waarna de auto total loss is verklaard (hierna: het tweede ongeval). In opdracht van de verzekeraar van [verweerder] heeft ITEB Schadeservices B.V. op 12 juli 2004 de schade aan de auto vastgesteld op € 12.275. Daarbij is uitgegaan van een waarde van de auto vóór het tweede ongeval ad € 13.250 minus de opbrengst van de restanten ad € 975.
2. Bij arrest van 24 juli 2008 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2006 - waarin [eiser] c.s. onder meer hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een bedrag ad € 10.842,75, met wettelijke rente - bekrachtigd.
3. Het tijdig door [eiser] c.s. ingestelde cassatieberoep omvat vier middelen.
4. Middel I klaagt dat het hof in rov. 2.9 ten onrechte heeft overwogen dat grief I niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, omdat onvoldoende kenbaar is welke gronden in die grief worden aangevoerd ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Betoogd wordt dat het hof deze grief ten onrechte niet in behandeling heeft genomen, omdat daarin een gemotiveerd beroep is gedaan op de omstandigheid dat de eigendom van de auto vóór het tweede ongeval aan [eiser] was overgedragen. Dit betekent dat volgens de stelling van [eiser] c.s. de grondslag aan de vordering van [verweerder] komt te ontvallen, aldus het middel.
Het middel faalt. De uitleg van gedingstukken is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De grief richt zich - expliciet - tegen rov. 6.1 van de rechtbank, waarin deze verscheidene feiten heeft vastgesteld. In de toelichting op de grief wordt niet aangegeven welke bezwaren tegen die vaststelling bestaan; volstaan wordt met een opsomming van (andere) feiten. Naar mijn mening behoefde het hof aan de (niet nader toegelichte en terloopse) stelling dat "omdat [verweerder] geen reparatiekosten heeft betaald (...) de auto nu van [eiser 2] (was)" niet de gevolgtrekking te verbinden dat [eiser] c.s. zich op het standpunt stelden dat [verweerder] geen vordering had. Dat geldt te meer, nu de grief zich niet richt tegen rov. 6.2 van de rechtbank. Daarin oordeelt de rechtbank dat [eiser] c.s. hun aansprakelijkheid jegens [verweerder] niet hebben betwist en zij derhalve gehouden zijn tot vergoeding van de door [verweerder] geleden schade. Een grief met de strekking als thans in het middel is gesteld, had - om gevolg te kunnen hebben - dan ook tegen díe rechtsoverweging gericht moeten zijn. Het middel bevat - mijns inziens terecht - niet de klacht dat het hof de grief had moeten uitleggen als (tevens) te zijn gericht tegen rov. 6.2. Het middel is bovendien niet gericht tegen rov. 2.3 van het bestreden arrest, waarin het hof voornoemd oordeel van de rechtbank in rov. 6.2 heeft vooropgesteld, nu daartegen niet was gegriefd.
5. Middel II klaagt dat het hof in rov. 2.7 ten onrechte heeft overwogen dat het op de weg van [eiser] c.s. had gelegen hun stelling dat de reparatiekosten ongeveer € 14.000 dan wel zeker een bedrag van € 12.275 (inclusief arbeidsloon) beliepen nader te onderbouwen met bijvoorbeeld een overzicht van het per onderdeel van de reparatie bestede aantal arbeidsuren en van de daarbij gebruikte onderdelen/materialen en/of facturen van de kennelijk van derden betrokken onderdelen en dat - nu [eiser] c.s. dit hebben nagelaten - het hof aan die blote, betwiste stelling als op dit punt te vaag en onvoldoende onderbouwd voorbij gaat. Het middel wijst er op dat [eiser] c.s. zich erop hebben beroepen dat de auto reeds na het eerste ongeval total loss was, dat het kenteken ongeldig was verklaard door de RDW en dat de auto derhalve niet meer waard was dan de waarde van de restanten. Volgens het middel ligt hierin de stelling besloten dat de door [eiser 2] in rekening te brengen reparatiekosten overeenkomen met de waardestijging van de auto ad € 12.275 (te weten het verschil tussen de waarde van de auto direct voor het tweede ongeval (begroot op € 13.250) en de waarde van de restanten (€ 975)). Deze stelling is volgens het middel begrijpelijk en voldoende gemotiveerd, zodat niet valt in te zien dat het hof aan deze stelling van [eiser] c.s. voorbij is gegaan.
Het middel faalt. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser] c.s. hun stelling over de hoogte van de reparatiekosten onvoldoende hebben onderbouwd. Dit oordeel kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel is niet onbegrijpelijk, nu in rechte niet is komen vast te staan dat de auto na het eerste ongeval total loss was, zoals door [eiser] c.s. is gesteld maar door [verweerder] gemotiveerd is bestreden. Daarmee ontbrak de feitelijke grondslag aan de stelling van [eiser] c.s. betreffende de omvang van de reparatiekosten en hadden [eiser] c.s. die - bij gebrek aan andere onderbouwing - nog uitsluitend aannemelijk kunnen maken op de wijze zoals door het hof is aangegeven. Voor zover het oordeel van het hof mede berust op de opvatting dat de reparatiekosten niet zonder meer kunnen worden begroot op de waardestijging van de auto, is het evenmin onjuist of onbegrijpelijk.
6. Middel III klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten bij [verweerder] de bewijslast te leggen dat de auto, toen deze in mei 2004 aan [eiser] c.s. ter reparatie werd aangeboden, niet total loss was. Volgens het middel gaat het om het bewijs van de door [verweerder] gestelde schade.
Het middel faalt. Het hof heeft in rov. 2.4 - in cassatie niet bestreden - geoordeeld dat de totale door [verweerder] als gevolg van de aanrijding op 20 juni 2004 geleden schade € 12.542,75 beloopt. In rov. 2.5 - in cassatie evenmin bestreden - heeft het hof overwogen dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten van de door [eiser 2] aan de auto van [verweerder] uitgevoerde reparatiewerkzaamheden voor verrekening in aanmerking komen, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. De stelling dat de auto na het eerste ongeval al total loss was, is door [eiser] c.s. betrokken ter onderbouwing van hun te verrekenen tegenvordering ter zake van de reparatiewerkzaamheden. Anders dan het middel betoogt, rusten de stelplicht en bewijslast met betrekking tot die vordering - overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro. - op [eiser] c.s.
7. Middel IV klaagt dat het hof ten onrechte in rov. 2.8 (tweede alinea) het bewijsaanbod van [eiser] c.s. dat de auto van [verweerder] total loss was op het moment dat deze in mei 2004 ter reparatie werd aangeboden als te vaag heeft gepasseerd nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen.
Het middel faalt. Kennelijk is het hof van oordeel dat [eiser] c.s. niet hebben voldaan aan hun stelplicht. Dit oordeel is, gelet op de gemotiveerde en met verklaringen onderbouwde betwisting door [verweerder], niet onbegrijpelijk. Het hof kon derhalve - zonder schending van enige rechtsregel - voorbij gaan aan het bewijsaanbod van [eiser] c.s.
8. De middelen nopen niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
9. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G