ECLI:NL:PHR:2009:BJ7317
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en nakoming van artikel 2 van het surseanceakkoord in faillissementsrechtelijke procedure
In deze zaak staat de uitleg van artikel 2 van Pro het surseanceakkoord tussen FC Den Bosch en [verzoekster] centraal, waarbij [verzoekster] een beroep doet op verrekening van vorderingen en nakoming van het akkoord. FC Den Bosch ontkent dat zij tekortschiet in de nakoming, omdat nog geen rechterlijke uitspraak is die de verrekening bevestigt.
De procedure begon met de surseance van betaling voor FC Den Bosch in 2000, gevolgd door een akkoord in 2001. [Verzoekster] stelde vorderingen terzake verstrekte leningen en garanties, maar werd niet toegelaten tot stemming vanwege achtergestelde positie. Diverse procedures volgden over verrekening en nakoming.
De rechtbank en het hof wezen verzoeken tot ontbinding van het akkoord af, stellende dat uitvoering van artikel 2 van Pro het akkoord onder een opschortende voorwaarde valt, namelijk een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak over verrekening. Het hof paste een objectieve uitleg toe en oordeelde dat de door partijen gemaakte afspraken over verrekening niet in het akkoord zijn opgenomen en niet aan de inhoud daarvan kunnen worden getoetst.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en benadrukt dat het surseanceakkoord een meerpartijenovereenkomst is die met een objectieve maatstaf moet worden uitgelegd. De Hoge Raad verwerpt de klachten over onvoldoende motivering en onjuiste rechtsopvatting en concludeert dat FC Den Bosch niet in gebreke is zolang de opschortende voorwaarde niet is vervuld.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van het surseanceakkoord wordt afgewezen omdat FC Den Bosch niet tekortschiet zolang geen rechterlijke uitspraak over verrekening is.