ECLI:NL:PHR:2009:BJ7835
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling
De zaak betreft een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling van een schuldenaar die eerder onherroepelijk is veroordeeld voor verduistering. De rechtbank en het hof wezen het verzoek af op grond van artikel 288 lid 2 sub c Faillissementswet Pro, omdat de schuldenaar binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het strafvonnis een schuld heeft die voortvloeit uit die veroordeling.
De schuldenaar had slechts een klein deel van het opgelegde schadebedrag voldaan en een deel van de hechtenis ondergaan, maar volgens artikel 36f lid 6 Wetboek van Strafvordering leidt het ondergaan van hechtenis niet tot opheffing van de betalingsverplichting. Het hof concludeerde dat de schuld nog bestaat en dat het verzoek daarom terecht werd afgewezen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het hof niet verplicht was om nader onderzoek te doen naar het bestaan van de schuld of om navraag te doen bij het slachtoffer. Ook was er geen grond voor de eis dat de rechter een gedegen feitelijk onderzoek zou moeten verrichten naar de nakoming van de schuld. De Hoge Raad bevestigde dat de rechter mag aannemen dat de schuld nog bestaat zolang geen redelijke twijfel bestaat.
Ten slotte wees de Hoge Raad erop dat de schuldenaar in hoger beroep rechtsbijstand had en dat het niet aan de rechter is om de schuldenaar te adviseren zijn verzoek in te trekken of later opnieuw in te dienen. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling werd afgewezen vanwege een nog bestaande schuld uit een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling binnen vijf jaar.