ECLI:NL:PHR:2009:BJ8090

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01523/07 Hs
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 457 SvArt. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening arrest wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef bij wapenbezit

De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een onherroepelijk arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarin aanvrager werd veroordeeld voor het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en een boksbeugel. De veroordeling was mede gebaseerd op een geuridentificatieproef uitgevoerd door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland.

De aanvrager stelde dat de geuridentificatieproef niet betrouwbaar was uitgevoerd, wat een omstandigheid is als bedoeld in artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2 Sv. De Hoge Raad bevestigde dat in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 dergelijke geurproeven, behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel, niet voldeden aan het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kende. Hierdoor kan het resultaat niet als voldoende betrouwbaar worden beschouwd.

De geurproef in deze zaak vond plaats op 25 mei 2002 en vormde een essentieel bewijsstuk voor de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het vuurwapen. Zonder deze positieve geuridentificatieproef zou het hof waarschijnlijk tot vrijspraak zijn gekomen. De Hoge Raad verklaarde daarom de herzieningsaanvraag gegrond, schorste zo nodig de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor hernieuwde berechting.

De zaak illustreert het belang van correcte uitvoering van forensische onderzoeken en de gevolgen van onbetrouwbare bewijsmiddelen voor strafrechtelijke veroordelingen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onbetrouwbare geuridentificatieproef.

Conclusie

Nr. S 01523/07 HS
Mr. Fokkens
Zitting 19 mei 2009
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Het Gerechtshof te Amhem heeft aanvrager bij onherroepelijk arrest van 30 september 2003(1) wegens 1-A. "Het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III", 1-B. "Het medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 2. "Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld
bij artikel 55, eerste lid van de wet wapens en munitie" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.
2. Aanvrager heeft herziening gevraagd van dat arrest. In de aanvrage wordt het herzieningsverzoek niet uitdrukkelijk beperkt tot feit 1, maar in de aanvrage wordt alleen gesproken over de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het in de auto waarin aanvrager zat, gevonden vuurwapen. Het als feit 2 bewezenverklaarde voorhanden hebben van een ( in de in de bovenzak van aanvrager gevonden) boksbeugel komt in de aanvrage niet voor.
De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2* Sv. Wat de aanvrager daartoe aanvoert komt erop neer dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef. Nu de bestreden geurproef uitsluitend betrekking had op het gevonden vuurwapen, moet worden aangenomen dat de herzieningsaanvraag geen betrekking heeft op het onder 1 bewezenverklaarde feit.
3. Voor wat betreft de aanleiding van het verzoek verwijs ik naar wat in HR 22 april 2008, LJN BC9637 in rubriek 4 ten aanzien van soortgelijke zaken is vermeld. In die uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat hij tegen de achtergrond van wat in zijn arrest eerder was vastgesteld aanneemt:
"dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden".
In onderhavige zaak is door genoemde geurhondendienst op 25 mei 2002 een geuridentificatieproef gehouden.
4.1 Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht onder 1-A en 1-B bewezen verklaard dat:
'hij op 22 mei 2002 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een revolver (merk Smith & Wesson, kaliber .357 Magnum), en munitie van categorie III, te weten zes patronen .357, voorhanden heeft gehad.'
Ten laste van aanvrager is bij het arrest waarvan herziening wordt verzocht onder 2 bewezen verklaard dat:
'hij op 22 mei 2002 te Arnhem een wapen van categorie I, onder 3e, te weten een boksbeugel, heeft gedragen en voorhanden heeft gehad;'
4.2 De bewezenverklaring berust blijkens de aanvulling op het verkort arrest op de navolgende bewijsmiddelen.
Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde
Voor zover in de hierna opgenomen schriftelijke bewijsmiddelen wordt verwezen naar het hoofdprocesverbaal, wordt hiermee verwezen naar het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL0783/02-005184, op 27 augustus 2002 gesloten en getekend door [verbalisant 1], hoofdagent van de politie, District AVZ, Unit BPZ Arnhem, met bijlagen.
'1.Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof, op 16 september 2003, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte - zakelijk weergegeven-:
Op 22 mei 2002 reed ik ais bestuurder van een personenauto in Arnhem. Naast mij zat [betrokkene 1].
Wij hadden de auto gehuurd in Amsterdam. [Betrokkene 1] en ik gingen naar Arnhem. We waren weer op weg naar huis toen we werden aangehouden.
2. Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 5], inspecteur, en [verbalisant 6], brigadier van de politie, District AVZ, Unit BPZ Arnhem Oost, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0783/02-093713, gedateerd 22 mei 2002 (dossierparagraaf 1.2.2), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten - zakelijk weergegeven-:
Op woensdag 22 mei surveilleerden wij, verbalisanten, in Arnhem in een opvallende dienstauto. Hier zagen wij een personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-AA], rijden. Hiervan was de kentekenplaat aan de voorzijde behoorlijk gedeukt en de kentekenplaat aan de achterzijde hing scheef. Vervolgens gaven wij de auto een stopteken. De bestuurder bracht zijn auto op de Jansbuitensingel te Arnhem tot stilstand. Ik, eerste verbalisant, vroeg de bestuurder een geldig rijbewijs te overhandigen. Hieraan voldeed de bestuurder. Ik zag dat de bestuurder was genaamd: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [plaats A], [a-straat 1] was genaamd. Wij, verbalisanten, zagen dat in de kaartenbak van het rechter voorportier een niet dichtgedraaide joint lag. Ook zagen wij dat op de grond voor de bijrijder een plastic zakje lag. Vervolgens stelde ik, [verbalisant 6], een onderzoek in op grond van de Opiumwet. Hierna stelde ik, [verbalisant 5], een onderzoek in aan de kleding van de bestuurder [aanvrager]. In de rechter bovenzak van de bestuurder trof ik, [verbalisant 5], een goudkleurige boksbeugel aan. Bij een nader onderzoek in de bovengenoemde auto troffen wij, verbalisanten, onder de bijrijderstoel een revolver, merk Smith & Wesson, type .357 magnum aan. In de cilinder van dit wapen zagen wij meerdere patronen met een holle punt zitten.
3. Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], brigadier van de politie Divisie JZ, Unit Reg. Recherche, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0753/02-093713, gedateerd 19 juli 2002 (dossierparagraaf 2.1.3), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant - zakelijk weergegeven-:
Op 22 mei 2002 werden op de openbare weg de, op de Jansbuitensingel te Arnhem, onder verdachten [betrokkene 1] en [aanvrager], onder de werking van de Wet Wapens en Munitie vallende voorwerpen aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze voorwerpen werden voor nader onderzoek aan mij, verbalisant, overgedragen. De voorwerpen worden hieronder nader omschreven.
Vuurwapen 1
Het op 22 mei 2002 bij de verdachte [aanvrager] in beslag genomen voorwerp is een revolver van het merk Smith & Wesson, model 13-3, kaliber .357 magnum, voorzien van serienummer [000001]. Het voorwerp, waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of andere scheikundige reactie, is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. Dit voorwerp is een vuurwapen in de zin van artikel 1, derde lid, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III, onder Ie van de Wet Wapens en Munitie.
Munitie
De op 22 mei 2002 bij de verdachte [aanvrager] in beslag genomen munitie betreft 6 scherpe patronen, van het kaliber .357 magnum. De munitie is geschikt en bestemd om met het eveneens in dit procesverbaal omschreven, in beslag genomen vuurwapen, merk Smith & Wesson, model 13-3, kaliber .357 magnum te worden beschoten. Dit is munitie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 4e en artikel 2, tweede lid, categorie III van de Wet Wapens en Munitie.
Boksbeugel
Het op 22 mei 2002 bij de verdachte [aanvrager] in beslag genomen voorwerp is een boksbeugel, bestaande uit om de vingers sluitende, onderling met elkaar verbonden ringen. Op de ringen zijn wel puntige uitsteeksels bevestigd. Derhalve is dit voorwerp een wapen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 3e van de Wet Wapens en Munitie.
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde bovendien
4. Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], brigadier/technisch rechercheur van de politie regiopolitie Gelderland-Midden, werkzaam bij de unit Technische Recherche, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 02-093713, gedateerd 24 mei 2002 (dossierparagraaf 2.1.6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant -zakelijk weergegeven-:
Pp 22 mei 2002 stelde ik in de personenauto met het kenteken [AA-00-AA] een technisch sporenonderzoek in naar aanleiding van een in deze auto aangetroffen vuurwapen, merk S & W.
Tijdens dit gestelde onderzoek werd voor een eventuele geuridentiteitsproef de volgende sporendrager op de daarvoor geëigende manier veiliggesteld en gewaarmerkt.
Sporendrager Vindplaats Veiligstellen
Revolver (Smith & Wesson) in pers. Auto [AA-00-AA] geurdoek
De geurdoek is aangebracht op 22 mei 2002, 21.05 uur en afgenomen op 23 mei 2002, 06.30 uur.
5. Het, als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 4], speurhondengeleider, tevens brigadier van de politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente, en [verbalisant 7], brigadier, werkzaam bij de regiopolitie Flevoland, opgemaakt procesverbaal, van geuridentificatie, genummerd [0000002], gedateerd 25 mei 2002 (dossierparagraaf 2.1.4), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten - zakelijk weergegeven-:
Op 25 mei 2002 werd door mij, [verbalisant 4], een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond REX. De geuridentificatieproef is uitgevoerd volgens de voorschriften, genoemd in supplement 2 van het Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur (september 1997).
Conclusie: Gezien het gedrag en de werkwijze van REX bleek mij, [verbalisant 4], dat REX geurovereenkomst waarnaam tussen het corpus delicti (geurmonster vuurwapen. SVO-003. 02-093713) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager].'
5. Samengevat komt de hierboven onder 4.2 weergegeven bewijsconstructie van het Hof op het volgende neer. De aanvrager is op woensdag 22 mei 2002 in Arnhem aangehouden in een gehuurde personenauto met kenteken [AA-00-AA]. Hij was de bestuurder van deze auto. De aanleiding voor de aanhouding was kennelijk het gedeukt zijn van de kentekenplaten van deze personenauto. Nadat de opsporingsambtenaren een niet dichtgedraaide joint en een plastic
zakje in de auto zagen liggen, hebben zij een onderzoek ingesteld. Hierbij is in de rechter bovenzak van de aanvrager een boksbeugel gevonden. Onder de bijrijderstoel troffen de opsporingsambtenaren een revolver, merk Smith & Wesson, type .357 magnum, met munitie aan (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Deze revolver is veiliggesteld ten behoeve van een
geuridentificatieproef. Hierbij is een geurovereenkomst waargenomen tussen de revolver en de geurdragers die waren vastgehouden door de aanvrager (bewijsmiddelen 4 en 5). Bewijsmiddel 6 houdt in dat de aanvrager ter terechtzitting heeft bekend dat de boksbeugel van hem is.
. Voor de beoordeling van de aanvrage is van belang dat voor het 'voorhanden hebben' van een vuurwapen als bedoeld in art. 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie vereist is dat de dader zich in meer of mindere mate bewust is van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie.2 In aanmerking genomen dat aanvrager in een huurauto reed en dat het wapen en de munitie gevonden zijn onder de stoel van de bijrijder, kan niet zonder meer gesteld worden dat uit de omstandigheid dat aanvrager de auto bestuurde volgt dat dit bewustzijn bij hem aanwezig is geweest. Behoudens de als bewijsmiddel 5 gebezigde positieve geuridentificatieproef houden de bewijsmiddelen niets in, waamit kan volgen dat aanvrager zich van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest. Ook uit de stukken van het dossier zijn geen nadere gegevens dienaangaande af te leiden.
7. Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is dat het Hof zonder de uitkomst van de positieve geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 1 zou zijn gekomen.
Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat het Hof, ware het op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze was uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, r.o.v. 5.3.2).
8. Het voorgaande brengt mee dat de aanvrage voor wat betreft feit 1 gegrond is.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening in voege als voormeld gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van het Hof zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een Gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak op de voet van
het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Tegen 's Hofs arrest is beroep in cassatie ingesteld door de aanvrager, waarbij hij door de Hoge Raad bij arrest van 12 oktober 2004 (nr. 00828/04) niet-ontvankelijk in het beroep is verklaard.
2 Vgl. HR 4 april 1980, LJN AB7452, NJ 1980, 435; HR 10 juni 1986, LJN AC1490, NJ 1987, 85 en HR 26 januari 1999, NJ 1999, 537.