4. De stukken van het geding houden, voor zover hier van belang, het volgende in:
a. Verdachte is door de Rechtbank te Arnhem bij vonnis van 28 november 2003 met parketnummer 05/093230-02 bij verstek veroordeeld. Het vonnis vermeldt als adres van verdachte: [a-straat 1] te [plaats];
b. Een akte van uitreiking, gehecht aan een 'mededeling uitspraak' met betrekking tot het vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 november 2003, houdt in dat die mededeling op 8 mei 2006 is uitgereikt aan verdachte. De akte vermeldt als adres van verdachte [b-straat 1] te [plaats];
c. Een verklaring als bedoeld in art. 451a, lid 1 Sv houdt in dat verdachte op 11 mei 2006 aan de directeur van Lelystad Unit 3 (DCL) te Lelystad te kennen heeft gegeven dat hij in hoger beroep wenst te gaan tegen het vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 28 november 2006 (bedoeld zal zijn: 2003; whv) met parketnummer 05/093230-02. Een daaraan gehecht schrijven van de directeur van de P.I. Lelystad aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem van 11 mei 2006 houdt in onder meer in dat de verdachte is gedetineerd in de genoemde inrichting en dat de verklaring op 11 mei 2006 is ingeschreven in het register als bedoeld in art. 451a lid 2 Sv;
d. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te Arnhem van 3 januari 2007, houdt in dat die dagvaarding op 16 oktober 2006 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". Het dubbel houdt in dat een afschrift aan raadsman Noppen is verstrekt maar vermeldt niet wanneer. Een eveneens aan het dubbel van de dagvaarding gehecht GBA-overzicht van 19 december 2006 houdt in dat verdachte vanaf 13 december 2002 tot 17 november 2003 stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats], dat van verdachte sinds 17 november 2003 geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was en dat hij niet gedetineerd was op 19 december 2006;
e. Een tweede akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van die dagvaarding, houdt in dat die dagvaarding, na een vergeefse poging tot uitreiking aan het adres [a-straat 1] te [plaats], op 17 november 2006 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Arnhem, omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is", en dat een afschrift van die dagvaarding op dezelfde datum is verzonden aan genoemd adres. De akte houdt tevens in dat dat adres is opgegeven bij gelegenheid van het begin van het onderzoek op de zitting in eerste aanleg;
f. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 januari 2007 houdt in dat verdachte, noch een raadsman aldaar is verschenen en dat tegen verdachte verstek is verleend. Het proces-verbaal vermeldt voorts dat verdachte "zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande" is;
g. Een aan de aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv gehecht GBA-overzicht van 31 januari 2008 houdt onder meer in dat van verdachte vanaf 17 november 2003 tot 2 april 2007 geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was en dat verdachte vanaf laatstgenoemde datum tot 2 oktober 2007 stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats].