ECLI:NL:PHR:2009:BJ9305

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04652 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 457 SvArt. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij overtreding Wegenverkeerswet

De zaak betreft een herzieningsverzoek tegen een onherroepelijk vonnis van de kantonrechter Rotterdam, waarbij aanvrager bij verstek werd veroordeeld voor een overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gepleegd op 15 februari 2003.

De herzieningsaanvraag steunt op het feit dat sprake is van persoonsverwisseling. Uit het dossier blijkt dat de overtreding werd gepleegd met een Fiat-auto met kenteken [AA-00-BB], geregistreerd op naam van een andere persoon dan aanvrager. De politie heeft bij de staandehouding onjuiste persoonsgegevens geregistreerd, wat leidde tot verwarring tussen aanvrager en een andere persoon met dezelfde achternaam en geboortedatum, maar verschillende voornamen en woonadressen.

De Hoge Raad concludeert dat de kantonrechter, indien hij bekend was geweest met deze feiten, aanvrager waarschijnlijk zou hebben vrijgesproken. Daarom verklaart de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond, beveelt zo nodig schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor een nieuwe behandeling op grond van artikel 467 Sv Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor nieuwe behandeling naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 08/04652 H
Mr. Bleichrodt
Zitting 25 augustus 2009
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Aanvrager tot herziening is bij onherroepelijk vonnis van 27 januari 2004 door de Kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenwegenverkeerswet 1994", gepleegd op 15 februari 2003, bij verstek veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 2 weken.
2. De aanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sv, aangezien zich een persoonsverwisseling heeft voorgedaan.
4. Het tot de stukken van het geding behorende proces-verbaal van politie houdt in dat de overtreding is gepleegd met een personenauto van het merk Fiat, gekentekend [AA-00-BB].
Ter staving van de gestelde persoonsverwisseling zijn bij de aanvrage voor zover van belang de volgende stukken overgelegd:
a) een brief van 20 december 2004 van de Officier van Justitie te Rotterdam aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW), waarin wordt verzocht om de registratiegegevens van de auto met het kenteken [AA-00-BB] op 15 februari 2003.
b) een overzicht van de RDW, gedateerd 23 december 2004, onder meer inhoudende:
"Peildatum: 15-02-03
Kenteken: [AA-00-BB]
Merk: Fiat
(...)
Van/tot: 15-11-2002, 10:24 tot 07-03-2003
Geregistreerde: [betrokkene 1], [a-straat 1], [woonplaats]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1962
Srt leg.: Paspoort
Nr. leg.: [001]
Herkomst: NL."
5. In de toelichting op de aanvrage stelt aanvrager dat hij het voertuig met het kenteken [AA-00-BB] nimmer heeft bestuurd en dat dit waarschijnlijk is geschied door een zekere [betrokkene 1], wonende te [woonplaats] aan de [a-straat 1]. Bovendien heeft voornoemde [betrokkene 1] een Nederlands paspoort met nummer [001], terwijl aanvrager een Nederlands paspoort heeft met nummer [002], afgegeven op 8 september 2004 in de gemeente Groningen.
6. Voor de beoordeling van de aanvrage is van belang dat uit het proces-verbaal van de politie van 29 april 2003 niet blijkt of en zo ja op welke wijze de identiteit van de staandegehouden verdachte is geverifieerd.
De verdachte die door de politie werd staande gehouden heeft opgegeven te zijn:
[betrokkene 1], geboorteplaats: [geboorteplaats], geboortedatum: [geboortedatum] 1962, wonende aan de [a-straat 1], [woonplaats]. Het proces-verbaal houdt verder in dat de politie de opgegeven persoonsgegevens bij de Gemeentelijke Basisadministratie (hierna: GBA) heeft nagetrokken wat heeft opgeleverd de volgende (afwijkende) personalia:
[aanvrager], geboorteplaats: [geboorteplaats], geboortedatum: [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats] aan de [b-straat 1].
7. Opvallend is dat de door de staande gehouden verdachte opgegeven personalia niet overeenkomen met de door de politie bij de raadpleging van het GBA gebruikte gegevens.
Bevraging van het GBA heeft mij geleerd dat aanvrager ([aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats]) nooit aan de [a-straat 1] te [woonplaats] heeft gewoond.(1)
Op de uitdraai van het GBA met betrekking tot [betrokkene 1], geboren in 1962 te [geboorteplaats], komt het adres [a-straat 1] te [woonplaats] tweemaal voor. In ieder geval stond genoemde [betrokkene 1] vanaf 6 oktober 2000 tot 7 februari 2003 op de [a-straat 1] ingeschreven.(2)
8. Voorts is, mede naar aanleiding van het zojuist onder 4 b genoemde document, te weten het door de RWD verstrekte overzicht, telefonisch navraag gedaan bij de afdeling Burgerzaken van de Gemeente Den Haag naar het daarop vermelde identiteitsbewijs met nummer [001].(3) Uit de verkregen informatie volgt dat op 30 augustus 2001 (einde geldigheid 30 augustus 2006) de Burgemeester van Den Haag een Europese Identiteitskaart met nummer [001] heeft afgegeven aan [betrokkene 1], geboren in 1962 te [geboorteplaats], wonende aan de [a-straat 1], [woonplaats]. Voorts is desgevraagd aan mijn medewerker medegedeeld dat een Europese Identiteitskaart met nummer [003](4) op 22 februari 2001 (einde geldigheid 22 februari 2006) door de Burgemeester van Groningen is afgegeven aan [aanvrager], geboren op 1 januari 1962 te [geboorteplaats]. In september 2004 zou deze kaart bij de gemeente zijn ingeleverd, terwijl op 8 september 2004 een nieuw identiteitsbewijs aan [aanvrager] is verstrekt.(5) De afdeling Burgerzaken van de gemeente Groningen heeft daarna de ingewonnen informatie van de afdeling Burgerzaken van de gemeente Den Haag nog telefonisch bevestigd.
9. Uit het voorgaande vloeit voort dat [aanvrager], geboren op [geboortedatum]-1962 te [geboorteplaats] (aanvrager) en [betrokkene 1], geboren in 1962 te [geboorteplaats] niet één en dezelfde persoon zijn. Vastgesteld kan worden dat aanvrager op de pleegdatum blijkens het GBA niet op het (bij het staande houden opgegeven) adres [a-straat 1] te [woonplaats] woonde, dat hij toen geen identiteitsbewijs bezat met nummer [001], en dat bedoelde auto niet op zijn naam stond. De personalia die de aangehouden persoon heeft opgegeven aan de politie komen overeen met de registratiegegevens van de auto met kenteken [AA-00-BB] en met de gegevens van het bij het op naam stellen van het voertuig gebruikte identiteitsbewijs.
Beide personen hebben dezelfde achternaam en zijn in het jaar 1962 geboren, maar de voornamen en de geboorteplaats zijn niet gelijk. De gegevens van "[aanvrager]" stemmen, zoals gezegd, overeen met de gegevens die de staandegehouden bestuurder aan de politie heeft opgegeven. Het lijkt erop dat door de onjuiste bevraging van het GBA door de politie de zaak voor wat betreft de identiteit van de verdachte op het verkeerde spoor is terechtgekomen.
10. Ik meen dat een en ander het ernstige vermoeden doet ontstaan dat de Kantonrechter, indien deze met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend was geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde feit zou hebben vrijgesproken.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zover nodig de schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Kantonrechter zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Voor de goede orde merk ik op dat de uitdraai voor de periode vanaf 29 januari 2003 tot 28 februari 2003 wel als historisch adresgegeven van aanvrager vermeldt: [c-straat 1] te [woonplaats].
2 Zie de uitdraaien van het GBA betreffende [aanvrager] (aanvrager), geboren op [geboortedatum]-1962 te [geboorteplaats] en [betrokkene 1], geboren in 1962 te [geboorteplaats].
3 Zie het op verzoek toegezonden faxbericht met bijlagen van de Gemeente Den Haag, ingekomen op 13 juli 2009.
4 Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich de dagvaarding van verdachte (nu: aanvrager) tegen de terechtzitting in eerste aanleg van 27 januari 2004. De daaraan gehechte akte van uitreiking houdt in dat op 24 oktober 2003 deze dagvaarding in persoon aan verdachte (nu: aanvrager) is uitgereikt. Tevens is vermeld het nummer van zijn legitimatiebewijs: [003].
5 Dit moet dan zijn het huidige identiteitsbewijs van de aanvrager, zoals in de aanvrage is vermeld het Nederlandse paspoort van aanvrager met nummer [002]. Ten tijde van het plegen van het feit, te weten op 15 februari 2003 had aanvrager dit document dus nog niet maar bezat hij een Europese Identiteitskaart met nummer [003].