ECLI:NL:PHR:2009:BJ9438
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen Nederlanderschap erkenning wegens verblijf vader in Suriname
Verzoekers, geboren in Suriname en erkend door hun vader in 1990, vroegen op grond van art. 17 RWN Pro vaststelling van het Nederlanderschap. De kernvraag was of hun vader ten tijde van de erkenning Nederlander was, zodat zij het Nederlanderschap van rechtswege konden verkrijgen.
De rechtbank concludeerde dat de vader vanaf 1976 tot 1984 daadwerkelijk woonachtig was in Suriname en niet in Nederland, mede op basis van inschrijvingen in bevolkingsregisters. Hierdoor was hij volgens art. 5 lid 2 TOS Pro zijn Nederlandse nationaliteit kwijtgeraakt. Verzoekers konden onvoldoende bewijs leveren van het tegendeel.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk was en dat de bewijswaardering aan de rechtbank toekwam. Klachten over onjuiste rechtsopvattingen en onvoldoende motivering werden verworpen. Het beroep werd verworpen en het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat de vader ten tijde van erkenning geen Nederlander was.