ECLI:NL:PHR:2009:BK0158
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek omgangsregeling na overlijden moeder door vader
De vader, veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf voor het doden van de moeder, verzocht de rechtbank om een omgangsregeling met hun drie minderjarige kinderen vast te stellen. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vader in hoger beroep ging. Het hof stelde dat de Raad voor de Kinderbescherming eerst een vooronderzoek moest doen naar de belangen van de kinderen bij omgang.
De Raad ontraadde het onderzoek vanwege het ontbreken van ruimte bij de moeder om contact te ondersteunen en de mogelijke verstoring van het veilige gezinssysteem van de kinderen. Het hof nam dit advies over en wees het verzoek van de vader af, omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat omgang geen nadelige gevolgen voor de kinderen zou hebben.
De vader stelde in cassatie drie middelen aan, waaronder het ontbreken van een eerlijk proces en het niet volledig benutten van onderzoeksmogelijkheden. De Hoge Raad verwierp deze middelen, oordeelde dat de vader voldoende gelegenheid had zijn standpunt te uiten en dat het hof en de Raad zorgvuldig hadden gehandeld in het belang van de kinderen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het verzoek tot omgangsregeling wordt afgewezen.