ECLI:NL:PHR:2009:BK1604

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01634
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c FwArt. 342 lid 3 FwArt. 354 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling en toepassing overgangsrecht Faillissementswet

De zaak betreft een verzoeker die in 2007 definitief werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In 2009 werd deze regeling op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd. De verzoeker ging hiertegen in hoger beroep, maar het gerechtshof Den Haag bevestigde de beëindiging.

De verzoeker stelde in cassatie meerdere gronden aan de orde, waaronder dat het hof de feiten niet had moeten toetsen en dat het oude artikel van de Faillissementswet (Fw) in plaats van het nieuwe overgangsrecht had moeten worden toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht uitging van de feiten zoals die waren vastgesteld, mede omdat de verzoeker pas in cassatie nieuwe feiten aanvoerde die te laat waren.

Ook werd geoordeeld dat het nieuwe art. 350 lid 3 sub c Fw Pro van toepassing is, omdat de toelatingsmaatstaf van de nieuwe wet onmiddellijke werking heeft. De vermeende onzorgvuldigheid en onjuiste rechtsopvattingen van het hof werden verworpen. Het hof had terecht geoordeeld dat de verzoeker zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet nakwam, onder meer door het niet doen van voorstellen om een boedelachterstand in te lopen en het niet nakomen van informatieplicht.

De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep faalt en bevestigt het arrest van het hof dat de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling rechtmatig is.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt bevestigd.

Conclusie

09/01634 (C)
mr. L. Timmerman
Parket, 23 oktober 2009
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
Verzoeker tot cassatie
Verkorte conclusie
1.1 Bij vonnis van 7 maart 2007 heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van [verzoeker] de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris bij vonnis van 9 februari 2009 beëindigd.
1.2 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Den Haag.
Bij arrest van 14 april 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
1.4 Het verzoekschrift bevat een cassatiemiddel dat uiteen valt in elf onderdelen en komt op tegen de rov. 4 tot en met 6 in samenhang met de gegeven beslissing.
1.5 Voor zover het middel klaagt in onderdeel 4.3 en 4.4 (de onderdelen 4.1 en 4.2 betreffen een inleiding) dat het hof de feiten had dienen te toetsen nu er geen andere gronden aan de beslissing tot tussentijdse beëindiging zijn ten grondslag gelegd, faalt het. Nu partijen het hof niet hebben gewezen op mogelijke onjuistheden in de feiten mocht het hof hier vanuit gaan. In cassatie wordt pas voor het eerst aangegeven dat de brieven van de bewindvoerder naar een onjuist adres zijn gestuurd en dat betalingen rechtstreeks in de boedel zijn ontvangen. Ook het verweer ten aanzien van de hypotheekschuld wordt voor het eerst in cassatie aangevoerd en is dus te laat.
1.6 Onderdeel 4.5 en 4.6 zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.2 waarin het hof heeft geoordeeld dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van het boedelbedrag. [Verzoeker] heeft pas bij de mondelinge behandeling de hoogte van de boedelachterstand betwist, maar - zoals het hof in rov. 5.2 aangeeft - is deze betwisting niet onderbouwd met relevante financiële stukken. Nu [verzoeker] zijn stelling niet voldoende heeft onderbouwd, kon het hof dus aan de betwisting van [verzoeker] voorbij gaan. Daarnaast oordeelt het hof nog dat deze betwisting in een te laat stadium gedaan is. Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk nu [verzoeker] pas bij de mondelinge behandeling in hoger beroep de hoogte betwist. De onderdelen falen mitsdien.
1.7 Onderdeel 4.7 voert aan dat het hof in rov. 5.4 ten onrechte art. 350 lid 3 sub c Fw Pro nieuw heeft toegepast. Volgens het onderdeel is het oude artikel van toepassing nu voor 1 januari 2008 definitief was beslist dat [verzoeker] werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Het oude artikel was vriendelijker van aard dan het nieuwe art. 350 lid 3 sub c Fw Pro. Nu het hof in de rechtsoverweging daarover niets heeft aangegeven moet het ervoor worden gehouden dat het hof zich heeft laten leiden door art. 350 lid 3 sub c Fw Pro nieuw.
1.8 Het onderdeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de conclusie van Langemeijer voor het arrest HR 26 september 2008, NJ 2008, 522 blijkt dat de toelatingsmaatstaf van de nieuwe wet onmiddellijke werking heeft(2). Het hof diende dus, anders dan het onderdeel stelt - art. 350 lid 3 sub c Fw Pro nieuw toe te passen. Bovendien kan niet gezegd worden dat art. 350 lid 3 sub c Fw Pro nieuw wezenlijk anders is geworden dan art. 350 lid 3 sub c Fw Pro oud. Het derde lid onder c is enkel aangevuld om de mogelijkheid te hebben schuldenaren uit de regeling te zetten die, ook zonder dat zij de nakoming van de direct uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen verzuimen, toch zodanig gedrag vertonen dat zij niet in de regeling te handhaven zijn. Aangezien in de onderhavige zaak [verzoeker] het verwijt wordt gemaakt de verplichtingen uit de schuldsanering niet na te komen, is hiervan dus geen sprake.
1.9 Met onderdeel 4.8 wordt kennelijk bedoeld dat de beslissing van het hof onzorgvuldig is. Onderdeel 4.10 voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof in rov. 5.4 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans toepassing doordat het hof op grond van art. 354 Fw Pro tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling heeft geoordeeld. Volgens het onderdeel zijn er geen beschouwingen en oordelen die neerkomen op ernstige tekortkomingen. De stellingname van de bewindvoerder en de voordracht van de rechter-commissaris tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling zijn volgens [verzoeker] onbegrijpelijk. Het is aan de feitenrechter om een afweging te maken of er voldoende aanleiding is om tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te komen. In cassatie kan enkel de begrijpelijkheid worden getoetst. In het vervolgverslag nummer 003 is [verzoeker] verzocht een voorstel te doen hoe hij op de boedelachterstand wenst in te lopen. Blijkbaar heeft [verzoeker] geen voorstel gedaan want uit het vervolgverslag nummer 004 blijkt dat [verzoeker] wederom wordt verzocht een voorstel te doen. Daarnaast blijkt uit de verslagen dat [verzoeker] meerdere malen de informatieplicht niet nakomt. De bewindvoerder geeft dit ook aan in zijn brief van 16 maart 2009. Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk, zodat de onderdelen falen.
1.10 Onderdeel 4.9 klaagt dat de stellingname van het hof in rov. 5.1, dat de schuldenaar zich dient in te spannen zijn schuldeisers zoveel mogelijk tegemoet te komen door al zijn inkomsten boven het vrij te laten bedrag aan de boedel af te dragen, onjuist is. Volgens het onderdeel dient - indien zich een wijziging voordoet - het vrij te laten bedrag steeds opnieuw berekend te worden waardoor het kan gebeuren dat [verzoeker] meer inkomsten dienen toe te vallen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in de overweging in het algemeen aangegeven wat de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling zijn. Het hof heeft bovendien niet geoordeeld dat dit vrij te laten bedrag steeds hetzelfde is.
1.11 Onderdeel 4.11 voert aan dat uit het arrest geen kenbare beschouwingen blijken omtrent het verzoek van [verzoeker] om tot verlenging van de schuldsaneringsregeling te komen. Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. In rov. 5.3 heeft het hof het over de maandelijkse bijdrage die [verzoeker] over twee jaar zou moeten doen rekening houdend met inkomsten uit extra werk. In deze twee jaar zit de verlenging besloten. Het onderdeel faalt mitsdien.
2. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 22 april 2009, overeenkomstig de in art. 342 lid 3 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen
2 Zie tevens Faillissementswet, H.H. Lammers, art. 350, aant. 12.