ECLI:NL:PHR:2009:BK2122

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01765 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROOpiumwet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontnemingsmaatregel wegens terbeschikkingstelling ruimte voor hennepteelt

In deze zaak staat de ontnemingsmaatregel centraal die door het Gerechtshof te 's-Gravenhage is opgelegd aan betrokkene. Betrokkene had haar zolderruimte ter beschikking gesteld voor de teelt van hennepplanten, waarvoor zij 875 euro ontving. Het hof stelde dat dit bedrag het wederrechtelijk verkregen voordeel vormde en legde de verplichting tot betaling daarvan aan de Staat op.

Betrokkene stelde in cassatie dat het hof het begrip wederrechtelijk voordeel onjuist had toegepast, omdat zij een passende tegenprestatie had geleverd en de huurontvangst niet als wederrechtelijk kon worden beschouwd. De Procureur-Generaal concludeerde echter dat het ter beschikking stellen van de ruimte voor een strafbaar feit op zichzelf de wederrechtelijkheid van het voordeel impliceert.

De Hoge Raad achtte het middel onvoldoende gemotiveerd en verwierp het beroep. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn in deze procedure was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot vernietiging van het vonnis. De ontnemingsmaatregel blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsmaatregel van 875 euro wegens terbeschikkingstelling van ruimte voor hennepteelt.

Conclusie

Nr. 08/01765 P(1)
Mr. Vegter
Zitting: 27 oktober 2009
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft aan betrokkene, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van 875 euro.
2. Namens de verdachte heeft mr. C.A. Lucardie, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend houdende vijf middelen van cassatie. De eerste vier middelen zien echter op de strafzaak tegen verdachte, welke eveneens in cassatie aanhangig is, en waarin ik heden eveneens concludeer. Ik ga er derhalve van uit dat het de bedoeling is geweest in de onderhavige zaak slechts één, namelijk het vijfde, middel van cassatie voor te stellen.
3. Het middel klaagt dat het Hof een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het begrip "wederrechtelijk voordeel": er is namelijk geen sprake van voordeel, want betrokkene heeft een passende tegenprestatie geleverd voor de 875 euro, en de ontvangst van huur voor het beschikbaar stellen van een zolderruimte is niet wederrechtelijk.
4. Betrokkene is door het Hof veroordeeld voor onder meer:
" een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 01 februari 2005 tot en met 24 juni 2005 te 's-Gravenhage met elkaar, althans één van hen, telkens opzettelijk hebben/heeft geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
bij het plegen van welke misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 01 februari 2005 tot en met 24 juni 2005 te 's-Gravenhage opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt van hennepplanten ter beschikking te stellen;"
5. Voor het ter beschikking stellen van haar zolderruimte voor de teelt van hennepplanten heeft betrokkene 875 euro ontvangen. Dit bedrag zou ze zonder het ter beschikking stellen van de ruimte niet hebben gekregen. Betrokkene is door haar medeplichtigheid dus 875 euro rijker geworden; met andere woorden, dat is het voordeel dat ze heeft verkregen.
6. Wat betreft de wederrechtelijkheid: in aanmerking genomen dat het ter beschikking stellen van je zolderruimte voor de teelt van hennepplanten een strafbaar feit oplevert, lijkt mij de wederrechtelijkheid van daaraan gekoppelde verkrijging van voordeel gegeven.
7. Van een verkeerde uitleg door het Hof van het begrip "wederrechtelijk (verkregen) voordeel" is derhalve geen sprake.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. In aanmerking genomen dat ik in de strafzaak geconcludeerd heb tot strafvermindering in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, kan de Hoge Raad in de onderhavige zaak volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn overschreden is.
10. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak 08/01766 tegen verdachte, waarin ik heden eveneens concludeer.