ECLI:NL:PHR:2009:BK3576

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03841
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen ondanks psychische beperkingen

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft op 6 augustus 2009 de toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP) voor de schuldenaar tussentijds beëindigd wegens het niet nakomen van verplichtingen zoals het informeren van de bewindvoerder en de sollicitatieplicht. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft deze beslissing op 15 september 2009 bekrachtigd.

De schuldenaar stelde in cassatie dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat hem een verwijt kan worden gemaakt van de niet-nakoming, terwijl hij psychische beperkingen had die hem belemmerden. Het hof oordeelde echter dat de schuldenaar tijdig hulp had moeten zoeken en dat het feit dat hij zijn behandeling bij PsyQ had beëindigd zonder vervangende behandeling een begrijpelijke reden was om verwijtbaarheid aan te nemen.

De Hoge Raad stelt dat de waardering van de feiten en omstandigheden aan het hof toekomt en dat deze niet in strijd is met de wettelijke criteria. De klacht van de schuldenaar dat het hof onredelijk heeft geoordeeld wordt verworpen. Het cassatieberoep wordt afgewezen en de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen ondanks psychische beperkingen.

Conclusie

09/03841
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 13 november 2009 (WSNP)
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
1. Deze WSNP-zaak leent zich voor een verkorte conclusie. Bij vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 6 augustus 2009 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: de schuldenaar) tussentijds beëindigd op de voet van art. 350 Fw Pro. De grond hiervoor was dat de schuldenaar bepaalde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen, te weten de verplichting tot informeren van de bewindvoerder en de inspanningsverplichting met betrekking tot het verwerven van inkomsten (sollicitatieplicht).
2. Op het hoger beroep van de schuldenaar heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 15 september 2009 deze beslissing bekrachtigd. Namens de schuldenaar is - tijdig - cassatieberoep daartegen ingesteld. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 350, lid 3 onder c, Fw, heeft geoordeeld dat de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt van het - in cassatie op zichzelf niet bestreden - feit dat hij zijn verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen, op welke grond het hof de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd.
3. De schuldenaar heeft bij het hof aangevoerd dat hij, mede door psychische beperkingen, onvoldoende in staat is geweest om de bewindvoerder een juist beeld van zijn situatie te verschaffen en dat hij hulp nodig heeft voor het bijhouden van zijn administratie en om de gevraagde inlichtingen te geven. Het hof heeft dit argument verworpen met de overweging dat het in dat geval op de weg van de schuldenaar had gelegen tijdig hulp te zoeken. Voor zover de schuldenaar aanvoert dat hij vanwege psychische problemen zijn verplichtingen niet kan nakomen, kan hem volgens het hof van de niet-nakoming een verwijt worden gemaakt, nu hij zelf zijn behandeling bij PsyQ heeft beëindigd zonder een andere behandeling hiervoor in de plaats te stellen (rov. 4). Dit is een begrijpelijke redengeving, die niet in strijd is met art. 350, lid 3 onder c, Fw. Zie voor het criterium van de verwijtbaarheid: HR 12 juni 2009 (LJN: BI0455), NJ 2009, 270.
4. Blijkens de toelichting op de klacht meent de schuldenaar dat het hof, gelet op de door hem onder a - j opgesomde omstandigheden, in redelijkheid niet heeft kunnen beslissen dat het aan de schuldenaar was om hulp te zoeken. Volgens de toelichting speelt in het bijzonder een rol de situatie ten tijde van de aanvang van de schuldsanering, de wisseling van de bewindvoerder en het ontbreken van een (sociaal) vangnet. In het gestelde kan ik, zelfs met de beste wil, niet iets anders lezen dan dat de schuldenaar van de Hoge Raad een herbeoordeling verlangt van de waardering die het hof aan de feiten heeft gegeven. Die waardering is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De ten slotte aangevoerde stelling dat de schuldenaar zich geen raad wist met het verzoek van de bewindvoerder om een medisch rapport, treft geen doel, reeds omdat de beslissing van het hof niet, althans niet uitsluitend, op het niet voldoen aan dat verzoek van de bewindvoerder is gebaseerd.
5. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,