ECLI:NL:PHR:2009:BK5269
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verlenging machtiging uithuisplaatsing kinderen vervalt na drie maanden niet-uitvoering
Deze zaak betreft de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen op grond van art. 1:262 lid 3 BW Pro automatisch vervalt wanneer deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd, ook als dit te wijten is aan obstructie van de ouders.
De feiten betreffen een echtscheiding waarbij drie kinderen betrokken zijn, en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing door de rechtbank. De kinderen verbleven feitelijk op een onbekend adres, ondanks een schriftelijke aanwijzing aan de ouders om de kinderen aan Jeugdzorg te overdragen. Het hof verklaarde het hoger beroep van de ouders niet-ontvankelijk omdat de machtiging was vervallen door niet-uitvoering binnen drie maanden.
Jeugdzorg stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelt dat de wettekst en parlementaire geschiedenis duidelijk maken dat de machtiging in alle gevallen vervalt als zij niet binnen drie maanden is uitgevoerd, zonder uitzondering voor obstructie door ouders. Voorbereidende handelingen gelden niet als tenuitvoerlegging. De Hoge Raad verwierp de klachten van Jeugdzorg en bevestigde het oordeel van het hof, waarmee de machtiging van rechtswege verviel.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing vervalt van rechtswege indien deze niet binnen drie maanden daadwerkelijk is uitgevoerd, ook bij obstructie van de ouders.