ECLI:NL:PHR:2009:BK6877

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00744
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 2 TOSArt. 3 TOSArt. 6 TOSArt. 18 lid 2 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap ondanks betwisting discriminatoir karakter Toescheidingsovereenkomst

Verzoeker, geboren in 1969 en van Nederlandse nationaliteit bij geboorte, woonde met zijn ouders in Suriname toen de Toescheidingsovereenkomst (TOS) in werking trad op 25 november 1975. Volgens de TOS verloren zijn ouders en hijzelf de Nederlandse nationaliteit en verkregen zij de Surinaamse nationaliteit. Verzoeker stelde dat de TOS discriminatoir is omdat zijn ouders niet de financiële middelen hadden om naar Nederland te emigreren, en dat hij als minderjarige geen keuze had, wat zou leiden tot leeftijdsdiscriminatie.

De rechtbank wees het verzoek tot vaststelling van Nederlanderschap af en oordeelde dat de bepalingen van de TOS neutrale criteria hanteren en geen discriminatoir karakter hebben. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van verzoeker. De Hoge Raad stelde vast dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had waarom de argumenten van verzoeker niet steekhoudend waren en dat het beroep niet tot cassatie kon leiden.

De Hoge Raad benadrukte dat het middel niet voldeed aan de vereisten van art. 426a lid 2 Rv omdat het niet duidelijk maakte waarom de overwegingen van de rechtbank onjuist zouden zijn. De conclusie was dat het cassatieberoep geen aanleiding gaf tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap werd afgewezen en het cassatieberoep verworpen.

Conclusie

09/00744
Mr L. Strikwerda
Parket, 9 okt. 2009
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
de Staat der Nederlanden
Edelhóogachtbaar College,
1. Deze zaak betreft een verzoek op de voet van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Inzet is de vraag of thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], in weerwil van het bepaalde in art. 2, 3 en 6 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk Nederland en de Republiek Suriname (Verdrag van 25 november 1975, Trb. 1975, 132) (TOS), de bij zijn geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit heeft behouden.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 2.1 en 2.2 van de beschikking van de rechtbank).
(i) [Verzoeker] is op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] geboren uit het huwelijk van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Op grond van art. 1, aanhef en onder a, van de toen geldende Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap verkreeg [verzoeker] bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit.
(ii) Tijdens de inwerkingtreding van de TOS op 25 november 1975 woonde [verzoeker] met zijn ouders in Suriname,
(iii) De ouders van [verzoeker] zijn beiden in Suriname geboren en zij hebben zich nimmer in Nederland gevestigd. Zij verkregen op grond van art. 3 TOS Pro met ingang van 25 november 1975 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit en verloren op grond van art. 2 lid 1 TOS Pro de Nederlandse nationaliteit,
(iv) [Verzoeker] volgde als minderjarige op grond van het bepaalde in art. 6 lid 1 TOS Pro de nationaliteit van zijn vader. Hij verkreeg hierdoor met ingang van 25 november 1975 de Surinaamse nationaliteit en verloor, evenals zijn ouders de Nederlandse nationaliteit.
3. [Verzoeker] heeft op 28 december 2006 bij de rechtbank te 's-Gravenhage op de voet van art. 17 RWN Pro een verzoekschrift tot vaststelling van zijn Nederlanderschap ingediend. [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de TOS een discriminatoir karakter heeft omdat zijn ouders als gevolg van hun beperkte financiële positie indertijd niet in staat waren zich in Nederland te vestigen, hetgeen zij anders zeker gedaan zouden hebben. In dat geval zou [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit hebben behouden. Voorts heeft [verzoeker] gesteld dat het feit dat hij als minderjarige in dezen geen eigen keuze kon maken, leidt tot leeftijdsdiscriminatie. [Verzoeker] meent daarom dat hij de Nederlandse nationaliteit nooit heeft verloren.
4. Thans verweerder in cassatie, hierna: de Staat, heeft bij brief van 20 augustus 2008 als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit die hij bij zijn geboorte verkreeg van rechtswege heeft verloren en dat niet is gesteld of gebleken dat [verzoeker] nadien de Nederlandse nationaliteit heeft herkregen.
5. Nadat de mondelinge behandeling van het verzoekschrift had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 19 december 2008 het verzoek afgewezen. Met betrekking tot de stelling van [verzoeker] dat de TOS een discriminatoir karakter heeft, overwoog de rechtbank onder meer:
"2.4 In de artikelen 2 en 3 van de TOS wordt voor het verliezen van de Nederlandse, respectievelijk het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit uitgegaan van neutrale criteria, te weten geboorte-, woon- of verblijfplaats.
Reeds daarom kan niet geoordeeld worden dat deze bepalingen een discriminatoir karakter hebben. De omstandigheid dat de ouders van [verzoeker] over onvoldoende financiële middelen beschikten om zich in Nederland te vestigen, maakt dit niet anders.
2.5 De artikelen 2 en 3 van de TOS omvatten - naast of anders dan de genoemde objectieve criteria - ook voor volwassenen geen keuzemogelijkheid voor de Nederlandse danwel de Surinaamse nationaliteit. Reeds daarom leidt het enkele feit dat deze keuzemogelijkheid voor minderjarigen niet openstond niet tot leeftijdsdiscriminatie."
6. [Verzoeker] is op de voet van art. 18 lid 2 RWN Pro tegen de beschikking van de rechtbank in cassatie gekomen met één middel.
De Staat heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
7. Het middel verwijt de rechtbank het verzoek van [verzoeker] ex art. 17 RWN Pro op onjuiste gronden, althans onvoldoende gemotiveerde gronden te hebben afgewezen. Deze algemene klacht wordt in de toelichting op het middel uitgewerkt in twee meer specifieke klachten.
8. De eerste klacht houdt in dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom de argumenten die [verzoeker] heeft aangevoerd om te betogen dat hij nog steeds in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, niet steekhoudend zijn.
9. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in de hierboven aangehaalde r.o. 2.4 en 2.5 aangegeven waarom de stelling van [verzoeker] dat de TOS een discriminatoir karakter heeft, naar haar oordeel ondeugdelijk is en het betoog dat [verzoeker] nog steeds in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, niet kan dragen.
10. De tweede klacht komt erop neer dat de rechtbank heeft verzuimd inhoudelijk in te gaan op het argument van [verzoeker] dat het karakter van de TOS (wellicht niet op een directe, doch wel op een indirecte manier) discriminatoir is, omdat "alleen degenen die indertijd beschikten over voldoende financiële middelen zich de reis naar Nederland (konden) permitteren en derhalve alleen de meerbedeelden (konden) profiteren van deze regeling".
11. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag en kan derhalve geen doel treffen. De rechtbank heeft in r.o. 2.4 overwogen
dat de artikelen 2 en 3 van de TOS reeds daarom geen discriminatoir karakter hebben omdat voor het verliezen van de Nederlandse, respectievelijk het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit, uitgegaan wordt van neutrale criteria, te weten geboorte-, woon- of verblijfplaats, en dat de omstandigheid dat de ouders van [verzoeker] over onvoldoende financiële middelen
beschikten om zich in Nederland te vestigen, dit niet anders maakt. Met deze overweging is de rechtbank inhoudelijk ingegaan op de door de klacht bedoelde stelling van [verzoeker].
12. Voor zover uit de aanhef van het middel moet worden opgemaakt dat het middel tevens de juistheid van de bedoelde overweging van de rechtbank ter discussie wil stellen, voldoet het middel niet aan de daaraan op grond van art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen. Het middel geeft immers in het geheel niet aan waarom de overweging van de rechtbank onjuist zou zijn.
Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 143, blz. 305.
13. De slotsom is dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
Het noopt niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassingvan art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,