ECLI:NL:PHR:2010:BJ8465
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse bankrekening en vrijheid van kapitaalverkeer
Belanghebbende, geboren in 1927, was directeur en enig aandeelhouder van een BV en hield een bankrekening aan bij een Zwitserse bank. Tijdens een boekenonderzoek in 2004 ontdekte de inspecteur deze buitenlandse rekening en legde navorderingsaanslagen op voor de jaren 1992 en 1993, inclusief boetes wegens verzwijging.
Belanghebbende gaf geen volledige informatie over de rekening, mede vanwege een herseninfarct en het ontbreken van medewerking van zijn zoon die in Chili woonde. De inspecteur maakte een schatting van het saldo en handhaafde de aanslagen. Rechtbank Leeuwarden vernietigde de aanslagen wegens onvoldoende bewijs, maar het Hof Leeuwarden stelde de inspecteur in het gelijk en verklaarde het beroep ongegrond.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EG over de verenigbaarheid van de verlengde navorderingstermijn met het EG-recht. Het HvJ EG oordeelde dat de verlengde termijn een belemmering vormt, maar gerechtvaardigd kan zijn indien de fiscus geen aanwijzingen had om een onderzoek in te stellen. De Hoge Raad concludeert dat de verlengde termijn in het onderhavige geval niet in strijd is met het EG-recht, ook al betreft het een derde land (Zwitserland). Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de procedure niet is overschreden vanwege de complexiteit en de prejudiciële procedure.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de toepassing van de verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse bankrekeningen.