ECLI:NL:PHR:2010:BJ8485
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vorming voorziening voor schadeclaim wegens wanprestatie in vennootschapsbelasting
De zaak betreft de vraag of de belanghebbende per ultimo 2001 een voorziening mocht vormen voor een schadeclaim van B wegens wanprestatie door haar dochtervennootschap A BV, die een productielijn niet tijdig leverde. De Rechtbank wees de voorziening af, terwijl het Hof deze toestond en het verlies vaststelde op €3.043.217.
De Hoge Raad bevestigt dat voor het vormen van een voorziening niet vereist is dat op balansdatum al een bestaande rechtsverhouding bestond, maar dat de toekomstige uitgaven hun oorsprong moeten vinden in feiten en omstandigheden die zich voor balansdatum hebben voorgedaan, en dat een redelijke mate van zekerheid moet bestaan dat zij zich zullen voordoen (Baksteenarrest). De Hoge Raad benadrukt dat het onderscheid tussen schuld en voorziening afhangt van het bestaan van een juridisch afdwingbare verplichting op balansdatum.
De Hoge Raad gaat in op de civielrechtelijke aspecten van wanprestatie en het ontstaan van het recht op schadevergoeding, waarbij nakoming blijvend onmogelijk is als het recht op schadevergoeding direct ontstaat. De Hoge Raad oordeelt dat de door het Hof gehanteerde schatting van de voorziening op €4,3 miljoen niet onbegrijpelijk is en dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de voorziening niet gesaldeerd hoeft te worden met ongerealiseerde winst op onderhanden werk.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Staatssecretaris en het incidentele cassatieberoep van de belanghebbende en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat een voorziening van circa €4,3 miljoen voor de schadeclaim wegens wanprestatie op balansdatum mag worden gevormd.